Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden.

Albert Servaes werd in april 1883 geboren in Gent.

Servaes werkte aanvankelijk als handelsreiziger.

Hij volgde in de jaren 1901 en 1902 avondlessen aan de Academie voor Beeldende Kunst (Gent)In 1905 trok hij naar Sint-Martens-Latem waar hij zich in een houten keet vestigde.

In Latem leerde Servaes een aantal kunstenaars kennen zoals Gustave Van de Woestyne en George Minne.

Hun religieussymbolistisch oeuvre inspireerde Servaes, maar tegelijk ging hij op zoek naar een eigen beeldtaal die brak met het werk van deze eerste Latemse kunstenaarsgroep.

Een zeer donker kleurenpalet en een expressieve verftoets werden zijn handelsmerk.

Met zijn werk beïnvloedde Servaes onder meer kunstenaars zoals Constant Permeke en Albert Saverys.

De expressieve stijl die Servaes vanaf 1910 ontwikkelde, kwam tot een hoogtepunt in de reeksen die hij in de periode 1918-1922 maakte rond het Passieverhaal en de Kruisweg van Christus.

Ook al werd dit werk verworpen door de Rooms-Katholieke Kerk, het bevestigde zijn reputatie van moderne kunstenaar die religieuze thema’s herinterpreteert, net als tijdgenoten Emil Nolde in Duitsland en Georges Rouault in Frankrijk.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog, in 1917 gaf hij opdracht aan architect August Desmet om op de plaats van een 18de-eeuws boerderijtje een woonhuis en atelier te bouwen.

In het ontwerp inspireerde architect A. Desmet in samenspraak met Servaes zich op romaanse kloosterarchitectuur en de traditionele hoevebouw.

Het Torenhuis, naam van het pand draagt het jaaranker 1917, maar werd pas na het einde van de oorlog, in 1919, voltooid.

In 1982 verkocht Piet Servaes, zoon van de schilder het pand.

Na de verkoop van het huis werd de atelierwoning omgebouwd tot hotel.

Vanwege sympathieën die hij openlijk koesterde voor de Duitse cultuurpolitiek tijdens het nationaalsocialisme.

Uit angst voor juridische vervolging, verliet hij in 1944 ons land en vestigde zich in 1945 te Lüzern en verwierf hij in 1961 de Zwitserse nationaliteit

In 2005 was hij ook een van de kansmakers op de titel De Grootste Belg, maar haalde de uiteindelijke nominatielijst niet en strandde op nr. 71 van diegenen die net buiten de nominatielijst vielen.

Servaes is de overgrootvader van Valerie De Booser. (Diverse bronnen, Museum Dhondt-Dhaenens, De Post 30 april 1961 en Wikipedia)

Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden
Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden
Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden
Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden

Hotsy Totsy maakt reclame voor hamburger Le Patron van Quick

Beste vrienden, kennissen, klanten, kroegenlopers en anderen,


Net zoals vele andere (nacht)cafés zijn het zware tijden voor de Hotsy Totsy.

Sinds de heropening op 8 juni na de eerste coronagolf, teren wij – door de strenge maatregelen waaronder een verplicht sluitingsuur om 01u00 en later zelfs om 23u00 – op onze reserves.

Een gezonde reserve die weliswaar zienderogen slinkt.

Een heropening in één van de komende maanden zal hoogstwaarschijnlijk terug gepaard gaan met strenge voorwaarden.

Te strenge voorwaarden om rendabel te zijn, dus het einde van de miserie is nog niet in zicht.

Daarom zijn wij Happiness Brussels BV/QUICK dankbaar om ons een steuntje in de rug te geven door ons raam te gebruiken als reclamebord ter promotie van ‘Le Patron’, een hamburger bereid met biersaus.

Dank u wel Happiness Brussels BV/QUICK voor dit initiatief!

Lara en Bob

40 jaar geleden, portret van het Gentse anti-sterretje Caroline Vlerick (De Post 15 februari 1981)

40 jaar geleden, portret van het Gentse anti-sterretje Caroline Vlerick (De Post 15 februari 1981)
40 jaar geleden, portret van het Gentse anti-sterretje Caroline Vlerick (De Post 15 februari 1981)

De laatste film die in het zogenaamde ‘wonderjaar van de Vlaamse film’, het jaar 1980, werd geproduceerd, is Peter Simons’ Het einde van de reis. Van Simons, die als assistent-realisator van Roland Verhavert (o.m. bij de realisatie van Rolande met de bles en De Loteling) en als t.v.-regisseur van de Dienst Drama van de B.R.T. in tegenstelling met heel wat andere jonge cineasten de gelegenheid kreeg om filmervaring op te doen, werd in het vlak van de lange speelfilm heel wat verwacht.

De teleurstelling kwam des te harder aan. Het einde van de reis bleek in vergelijking met zijn t.v.-films als De zuiverste nacht, Mijn mooie bioscoop (beide van 1979) en De eerste sleutel (1980), alle drie naar interessante scenario’s van filmfreak Pierre Platteau, een miskleun.

De oorzaak van dit falen ligt zowel in de keuze van het scenario, een werkstuk van Willy van Sompel (enkele jaren geleden bekroond met de Prijs voor het beste filmscenario door het Ministerie van Nederlandse Cultuur), als in het onvermogen van de cineast om dat script in overtuigende filmtaal om te zetten.

De film is een psychologisch portret van een veertigjarige vrouw, Maria Levy (een soms theatrale Chris Lomme), die verlaten door haar echtgenoot (een eens te meer overtuigende Hugo van den Berghe) en haar achttienjarige dochter Lily, ook haar jongere dochter Valérie vreest te verliezen.

Het hoofdpersonage stort psychisch in elkaar wanneer aan het slot uiteindelijk ook Valérie besluit haar eigen weg te gaan. Maria’s ziekelijke hoop op de terugkeer van Lily uit Amerika en haar redeloze angst en bezorgdheid om Valérie vormen de thematiek van de film.

Het spreekt voor zich dat een dergelijk intimistisch portret vol familiale tafereeltjes en waarin elke dramatische actie tot een minimum herleid is, hoge eisen stelt aan een cineast. ‘Maria Levy’s uitzichtloze verlangen naar betere tijden, toen Lily nog bij haar was,’ zou, althans volgens Simons’ interpretatie van het scenario in de persmap, een metafoor zijn waarachter de wanhoop schuilt van de generatie van mei ’68. Of hoe een cineast zijn film een dubbele bodem toedicht.‘Weinig zag ik bij ons een scenario met zulk een gave tekstuur zulk een fascinerende sfeer, zulk een indringende karaktertekening, en dat met zulk een economie der middelen,’ luidt daarenboven zijn in gebrekkig Nederlands gestelde apologie voor het scenario.

Het bedenkelijke feit dat een terecht of ten onrechte bekroond scenario nu eenmaal gemakkelijker door de mazen van de filmcommissie, die de subsidiëringskoek – in casu 9.800.000 fr. – verdeelt, glipt, speelde misschien wel een grotere rol…

In vergelijking met Hellegat en De Proefkonijnen is Peter Simons’ film een stap terug op de weg naar een volwaardige filmproduktie. De film vertoont in wezen de zwakheden van zovele vroegere Vlaamse films: een weinig origineel scenario, losse toneelscènes met onnatuurlijke dialogen, technisch vakwerk dat te weinig sfeerscheppend werkt.

Enkel de spontane vertolking van Valérie door de debuterende veertienjarige Caroline Vlerick en de muziek (Alain Pierre), die Maria’s levensangst treffend suggereert, houden de film overeind.

Echt storend werken in deze door zijn langdradigheid irriterende produktie twee scènes waarin de cineast tot misplaatste filmische spielereien overgaat.

De slow motion-scène waarin Maria Levy in nachtjapon door de drukke winkelstraat met een brief van Lily Valérie achternazweeft, is gewoonweg potsierlijk.

Een gratuit filmisch intermezzo is ook de verwelkomingsscène op de pier te Oostende, waar Maria en Valérie de ferry-boot met Lily verwachten: een serie korte shots, vooral zwenkende luchtopnamen en een dubbeldruk (het gezicht van Maria op de over de zee scherende camera, die de boot nadert). Moeilijk te achterhalen is daarenboven de betekenis van de talrijke tussenshots van het Brusselse justitiepaleis, badend in een rode gloed.

Kortom, Het einde van een reis brengt vooral de beperktheden van een cineast aan het licht, die op grond van enkele behoorlijke t.v.-films wellicht werd overschat. (film bespreking door Wim de Poorter in 1991 en artikel uit de Post van 15 februari 1991)

40 jaar geleden, de Gentse schilder Jean Verame spuit de woestijn blauw (De Post 7 februari 1981)

40 jaar geleden, de Gentse schilder Jean Verame spuit de woestijn blauw (De Post 7 februari 1981)
40 jaar geleden, de Gentse schilder Jean Verame spuit de woestijn blauw (De Post 7 februari 1981)
40 jaar geleden, de Gentse schilder Jean Verame spuit de woestijn blauw (De Post 7 februari 1981)
40 jaar geleden, de Gentse schilder Jean Verame spuit de woestijn blauw (De Post 7 februari 1981)

Deze week: het Gentse jazzcafé Damberd vraagt faillissement aan.

Sinds 1750 is hier ononderbroken een café gevestigd onder de naam Damberd.

Dammen was toen een populair tijdverdrijf.

Het gebouw zelf dateert uit de 13de eeuw en heeft nog dienst gedaan als graanopslagplaats,

Het Damberd was voor 1978 een van de vele bourgeoiscafés.

Maar gezien de leeftijd van de bazin, die toen 77 jaar oud was besliste ze om de zaak te koop te stellen.

De ‘Zwitser’ Guido Bas, de ‘Hollander’ Willem Zuidhof en Francis Jorissen waren de oprichters van het huidige Jazzcafé.

Francis Jorissen zei deze week op zijn fb pagina het volgende: Het café opende zijn deuren op 3 februari 1978 om 20.00 uur en het was er vanaf de eerste dag over de koppen lopen. In die tijd was er immers niet veel ‘alternatief’ caféleven in Gent.

Ja, je had onder andere de Skoop (die naar wat ik mij toen heb laten vertellen die avond bijzonder leeg was).

Een pint kostte in het Damberd 17 frank. Voor de jongeren onder ons, iets meer dan 0,42 euro.

Je kon er ook een glas melk krijgen, dat kostte 10 frank, 25 cent.

Ik lees ook dat brouwerij Haacht, die eigenaar is van het pand hoopt nu vlug iemand te vinden die de traditie wil voortzetten.

Dat was indertijd wel even anders.

Toen we op zoek waren naar een goede locatie voor een jazzcafé in Gent (en waarvoor iedereen ons gek verklaarde – een jazzcafé in Gent, stel je voor – en voorspelde dat we het geen twee maand zouden volhouden, stootten we op het Damberd.

Het café stond al een tijdje leeg nadat de eigenares was overleden. Het gebouw was in handen van brouwerij Haacht maar het handelsfonds dan weer in handen van een, wat heet bedrijfsmakelaar, Agimmo.

De Brouwerij was absoluut niet happig om hun pand te verhuren aan drie hippies die er waarschijnlijk de ‘kostbare muurschilderingen’ gingen slopen en er een… ja, wat van gingen maken. Ze weigerden aanvankelijk.

Agimmo, geloofde wel in ons project. Doordat zij het handelsfonds in handen hadden kon de brouwerij het niet verhuren zonder dat het handelsfonds mee verkocht werd.Agimmo heeft het dan hard gespeeld.

Ze vertelden Haacht dat als ze het niet aan ons verhuurden, zij het handelsfonds de komende maanden ook niet zouden verkopen aan kandidaten die wel in de smaak vielen bij de brouwerij.

Uiteindelijk gooide de brouwerij dan de handdoek in de ring.

Zij wilden dan wel aan ons verhuren maar onder strenge voorwaarden.

Eén van die voorwaarden was dat we alle drank (koffie incluis) die we in het café verkochten verplicht bij hen moesten aankopen.Ook hun niet-te-drinken-cola.

Het heeft trouwens heel wat voeten in de aarde gehad voor we dat mochten vervangen door pepsi.

Die we uiteraard ook bij hen moesten afnemen.

Voor de eerste avond had de bieruitzetter de, natuurlijk op voorhand betaalde, drank binnengebracht.

Als ik het mij goed herinner 6 vaten, wat bakken andere bieren en wat water en frisdranken.

‘Tot volgende week’, zei hij bij zijn vertrek.De volgende dag mocht hij opnieuw komen leveren. Alle drank (behalve het water) was op. De zaterdag leverde hij 10 vaten, de maandag stond hij er weer. Dit keer met 25 vaten.

Paul Feyaerts ging in 1979 als barman aan de slag in het Damberd en enkele jaren later nam hij de zaak over.

Op 20 februari 2011 hield Feyaerts het voor bekeken en gaf de tapkraan door aan Ann Krüger, al twaalf jaar medevennoot van café Damberd.

Ann Krüger is de dochter van een Duitse beroepsmilitair.

Ze begon als barmeid in 1996, werd medevennoot in 1999 en is eigenaar sinds 2011.

Waarom de zaak juist failliet ging, wil uitbaatster Ann Krüger niet toelichten.Ze is naar eigen zeggen te geëmotioneerd op dit moment en zit samen met de curator om alle paperassen af te handelen. Brouwerij Haacht zoekt momenteel volop naar een nieuwe overnemer.

Sinds het nieuws bekend raakte, regent het in Gent reacties.

Onder meer Sofie Bracke, schepen van Economie, hoopt dat de zaak blijft voortbestaan. “Mijn hart breekt”, schrijft ze. “Uren heb ik gesleten in het Damberd, zowel op het grote terras met een fles rosé en de eerste lentezon op mijn gezicht als binnen genietend van de muziek. (…)

Als stadsbestuur (…) ondersteunen we waar mogelijk. Dat is iets waar ik letterlijk elke dag van het begin tot het einde mee bezig ben. En dan de krant openslaan en dit lezen.

Dju!”“Dit maakt me erg triest”, vult Gents filosoof Ignaas Devisch aan. “Als student maar ook daarna talloze mooie concerten meegemaakt, nachtelijke discussies gevoerd en geleerd om naar jazz te luisteren. Hopelijk wordt er een overnemer gevonden.” “Als er een overnemer komt ,hoop ik dat de naam, het interieur en de muziek blijft.

En de yoghurt in een flesje”, klinkt het op Twitter tot slot.(Diverse bronnen, Cedric Matthys, Het Nieuwsblad en Wikipedia)

Deze week: het Gentse jazzcafé Damberd vraagt faillissement aan.
Deze week: het Gentse jazzcafé Damberd vraagt faillissement aan.
Deze week: het Gentse jazzcafé Damberd vraagt faillissement aan.
Deze week: het Gentse jazzcafé Damberd vraagt faillissement aan.
Deze week: het Gentse jazzcafé Damberd vraagt faillissement aan.

Vandaag 30 jaar geleden, laatste voorstelling Jungleboek in het NTG in regie van Dirk Tanghe.

Jan de Vuyst (bewerking) en Lieven Coppieters (muziek) maakten deze klassieker van Nobelprijswinnaar Rudyard Kipling tot een succesvol muzikaal familiespektakel in regie van Dirk Tanghe.

De voorstelling speelde in het Tolhuis, een sportcomplex met een scène van 20 meter breed en een heus zwembad.

Mowgli werd vertolkt door Michael Pas, in de rest van de uitgebreide cast vinden we naast de toenmalige ensembleleden Roger Bolders, Chris Boni, Karen de Visscher, Eddy Spruyt, Chris Thys, Cyriel van Gent, Erik van Herreweghen, Nolle Versyp en Mark Willems ook de gastacteurs Brenda Bertin, Frank Hoelen en Karin Tanghe, en liefst 60 figuranten.

Jungleboek speelde gedurende twee seizoenen in totaal 120 voorstellingen en bracht bijna 64.000 toeschouwers op de been, wat deze voorstelling tot een van de grootste publiekssuccessen van het Gentse stadstheater maakte. (Diverse bronnen, Lustrumboek deel 4 Ntg en Ntg site)

Vandaag 30 jaar geleden, laatste voorstelling Jungleboek in het NTG in regie van Dirk Tanghe.

Ik werkte toen in het Ntg en alle medewerkers kregen toen een persoonlijk aandenken van deze voorstelling. De tekening is van de Vlaamse acteur Nolle Versyp.

Vandaag 30 jaar geleden, laatste voorstelling Jungleboek in het NTG in regie van Dirk Tanghe.

De passie van de Gentse ondernemer Ghislain Mahy voor auto’s en na drie generaties het einde voor garage Mahy in Gent.

De familie Mahy, gevestigd te Gent, was gespecialiseerd in het bouwen van stoomketels.

Ghislain Mahy, geboren in 1907, toonde reeds zeer vroeg een uitzonderlijke aanleg voor mechanica. Hij bewees dit door op zeventienjarige leeftijd eigenhandig zijn eerste en enige auto in elkaar te knutselen met de motor van een Dixi en onderdelen uit de sloperij.

Na de wagen zorgvuldig op punt te hebben gesteld, slaagde hij erin die te verkopen tegen de aardige som, destijds, van 6500 BF.

Dit klein kapitaal lag aan de basis van zijn automobielhandel.

In 1932 vestigde hij zich als handelaar in tweedehands-wagens, en in 1938 opende hij als eerste in België een verhuurdienst voor auto’s zonder chauffeur.

Hij werd vervolgens agent van verschillende grote automerken, Nash, Simca en Fiat.

De zaken draaien goed voor Ghislain Mahy en hij wil uitbreiden.

Ghislain’s echtgenote, stelt hem voor zich te interesseren voor leegstaand pand, namelijk het oude wintercircus.

Een gigantisch rond gebouw van 5000 m2 in het centrum van Gent.

Er komt een overeenkomst tussen Ghislain Mahy en de eigenaar, de nodige aanpassingen gebeuren en in 1939 eindigen de werken.

Maar Ghislain heeft geen geluk, de dag van de inhuldiging van de showroom is tevens die van de algemene mobilisatie.

De oorlog is daar en de handel draait tijdens deze lange periode zo goed als niet.

Na de oorlog, in 1948, wordt het gebouw verkocht aan Ghislain Mahy.

Ondanks dit financieel avontuur beslist Ghislain het circus om te bouwen tot een nog ambitieuzere garage dan deze van voor de oorlog.

De nieuwe garage opent in oktober 1954, het is een der modernste en belangrijkste van Vlaanderen. De zalen zijn enorm, maar meerdere zijn ongeschikt voor de professionele bezigheden.

Doodlopende gangen, zalen met zuilen, hoge verdiepingen en twee verdiepingen kelders worden gebruikt als stapelplaats der oude voertuigen.

Dit reusachtige ronde gebouw is een surrealistische plaats, een architecturaal meesterwerk.

Boven de piste hangt een Zeppelingondel en een vliegtuig doet dienst als luchter voorzien met TL-verlichting.Rondom, op elk der 4 verdiepingen, lijken tientallen oldtimers toeschouwers te zijn van een spookvoorstelling.

Anderen slapen rustig in de kelders en hebben sinds meer dan dertig jaar het daglicht niet meer gezien.Jarenlang verzamelt Ghislain voertuigen.

Honderden voegen zich bij deze die hij reeds bezit in de verschillende zalen van het oude circus en van bij de aanvang start Ghislain de restauratie.

Dit betekent voor de eerste voertuigen een volledige demontage, wederopbouw en verven met de borstel. In die tijd was het vervangen van onderdelen niet zo eenvoudig als nu.Talrijke onderdelen waren beschikbaar, maar waren moeilijk te vinden.

Vandaag raadpleegt men de advertenties in de gespecialiseerde pers of contacteert men de clubs. Einde der veertiger jaren was men aangewezen op het toeval of moest men zelf een netwerk uitbouwen.

Zeer snel vervangt hij de borstel door een spuitpistool, maar Ghislain kent de techniek niet en doet beroep op een vriend carrossier.

Hij heeft ook problemen met houtwerk, bekleding en dergelijke.

Elke keer vindt hij bekwame vrienden die hem ter hulp komen.

Sinds de jaren vijftig tot omstreeks 70 werken Ghislain en zijn oudste zoon Ivan in een klein werkhuis, geholpen door enkele gepassioneerde vrijwilligers zoals die buitengewone bekwame bekleder die de stiel geleerd had op de ouderdom van 15 jaar bij Minerva.

Gedurende een veertigtal jaren hebben Ghislain, Ivan en hun vrienden zelf een 250-tal voertuigen gerestaureerd.

Het circus was een stapelplaats voor al deze voertuigen.

Niets was echter voorzien om het publiek te ontvangen, geen enkele publiciteit werd gemaakt over de collectie.

Nochtans contacteerden vele liefhebbers de familie Mahy om het voorrecht te hebben de oldtimers te bewonderen.

Begin de jaren 60 ging Ghislain Mahy op zoek naar een plaats om een museum uit te bouwen.

In 1964 koopt Ghislain Mahy in Gent een oude bowling van 2000 m2.

Hij verbouwt, plaatst gerestaureerde voertuigen, maakt de zaal klaar voor de opening.

Maar stad Gent verbiedt de exploitatie, bewerende dat het gebouw zich in een groene zone bevindt en dat de uitbating van een museum een economische activiteit is.

De pers interesseert zich aan de verzameling en de burgemeester van Houthalen leest er een artikel over.

Hij neemt contact op met Ghislain Mahy en stelt voor een loods, gelegen aan de Grote Plaats, in te richten als museum. Maar ditmaal komt er verzet van de gouverneur van Limburg.

Zijns inzien dient men een specifiek gebouw op te richten om er de verzameling in onder te brengen. Aldus ging in juli 1970 het Provinciaal Automuseum van Houthalen open in Limburg.

Het was één der eerste automusea in Europa.Maar het begin der jaren zeventig viel samen met de eerste petroleumcrisis en in 1975 begon het museum er de gevolgen van te voelen. Daarbij werden de personeelskosten steeds hoger en ter wille van het wegvallen van subsidiering kwamen er geen scholen meer naar het museum.

In 1983 besloot de provincie het museum te sluiten. Niettemin mocht de familie Mahy het museum ten persoonlijke titel uitbaten.

Ondertussen had in 1978 de familie de VZW “Autocollectie Gh. Mahy” opgericht, teneinde de verzameling te vrijwaren.

In 1983 neemt Ivan Mahy het beheer van het museum over. Hij laat zich helpen door vrijwilligers en het museum kent een nieuw succes.

Drie jaar later is het zakencijfer aanzienlijk verbeterd.

Het museum maakt publiciteit en het publiek komt massaal. De nabijheid van het park van Bokrijk is een pluspunt en trekt vele bezoekers aan.

In 1986 vindt de provincie het nodig de huurprijs te vervijfvoudigen en die komt alzo op gelijke hoogte met het publiciteit- en promotiebudget van het museum. AGM kan dit niet dragen en de onderhandelingen leveren niets op.

De voertuigen tentoongesteld in Houthalen dienen een andere tentoonstellingsruimte te vinden.Een prachtige hall van 8000 m2 was beschikbaar, gelegen in het mooie kader van het Jubelpark te Brussel.

De metalen structuur met een spanwijdte van 48 m zonder palen voldeed perfect.

De zaak werd onderhandeld, bij name met de ministers Herman De Croo (communicatie) en Louis Olivier (Openbare Werken, eigenaar van het gebouw).

De inhuldiging gebeurde in 1986 na herstelling van het gebouw, gelegen tegenover het Legermuseum, het Vliegtuigmuseum (één der belangrijkste ter wereld) en in de nabijheid van het museum van Kunst & Geschiedenis.

Buiten zijn architecturale waarde bezat het eveneens een symboliek aangezien tussen 1902 en 1934 bijna ieder jaar er een autosalon plaatsvond.

Meer dan 200 mechanische juweeltjes verwelkomen er reeds 27 jaar de bezoekers en Autoworld wordt aanzien als één der befaamste automusea ter wereld.

Maar het belicht in werkelijkheid maar één vierde van de door Ghislain Mahy verzamelde voertuigen.

De andere 800 oldtimers sliepen rustig in het oude Wintercircus te Gent tot 1997.

Reeds voor de installatie in Brussel (1986) was de VZW “Autocollectie Gh.Mahy” op zoek naar een grotere ruimte dan het circus om de oude voertuigen in onder te brengen.Vele contacten werden gelegd met openbare diensten.

De staat verkocht verscheidene kazernen en fabrieken ingevolge verhuis en/of faillissementen . AGM zocht een geheel van grote gebouwen omringd door een terrein.

Ivan Mahy contacteerde eveneens verscheidene steden waaronder Antwerpen, Blankenberge, Brussel, Gent, Oostende; die wel akkoord waren een gebouw ter beschikking te stellen; maar vele sites waren echter te duur, te klein of niet geschikt.

In 1996, tijdens een bezoek aan Frasnes-lez-Anvaing, werd Ivan Mahy door een curator erop gewezen dat er een fabriek te koop stond in Leuze-en-Hainaut.

AGM bezocht de vroegere textielfabriek Ernaelsteen, stelde vast dat zij voldeed en ontmoette de eerste schepen van Leuze. Deze laatste, de heer Jean-Pol Renard was onmiddellijk zeer enthousiast.

Drie dagen later werd AGM verwittigd dat de stad Leuze akkoord ging de oude fabriek aan te schaffen om er het toekomstig “Musée Communal de l’Automobile” in onder te brengen.

Van toen af begonnen Ivan Mahy en enkele vrienden aan een titanen verhuis.

Drie jaar lang gaan zij meer dan 700 voertuigen, gestockeerd in de cirkelvormige galerijen en de kelders van het circus te Gent, overbrengen naar Leuze.

Buiten de veteranen werd de site ook gevuld met tonnen wisselstukken, oud gereedschap, didactisch materiaal en varia en bleek de 20.000 m2 reeds te nauw te zijn.

De privé bibliotheek, één der grootste in Europa, zwicht onder het gewicht van de kostbare autodocumenten zorgvuldig geklasseerd en op inventaris geplaatst.

In de loop der tijd kreeg het ambitieuze project stilaan vorm en werd het toekomstige “Musée Communal de l’Automobile” Mahymobiles gedoopt.

De gebouwen waren gedurende één eeuw gebruikt door textiel ondernemingen.

Men moest het geheel zo inrichten dat het niet alleen toegankelijk werd voor het publiek, maar ook aantrekkelijk.

Door tussenkomst van Ideta, een intercommunale ter economische en toeristische ontplooiing van de regio, heeft het Waalse gewest subsidies toegekend om het onthaal en de toegang tot het gebouw aan te passen.

Een tweede subsidie werd toegestaan door Europa, bedoeld voor de buitenzijde van het gebouw: vernieuwing van de daken en de gevels evenals de aanleg van het park van 5ha.

De VZW Mahymobiles neemt voor haar rekening de binneninrichting evenals de aanleg van een testpiste buiten het gebouw waar de wagens bezoekers kunnen vergasten op een autoritje.

De collectie Gh. Mahy is één der meest interessante ter wereld, zowel door het aantal (ongeveer 1000 voertuigen) als de verscheidenheid.

Voertuigen uit gans de wereld, benzinewagens, stoomwagens, elektrische wagens, vrachtwagens, moto’s, fietsen, autobussen, pedaalwagentjes, paardenkoetsen en sleden.

Grote klassiekers en populaire wagens staan er naast elkaar en vertellen de geschiedenis van de automobiel vanaf 1895 tot heden.

Betreft de garage en hetzakelijke gedeelte die verhuisde van het Wintercircus naar de Brusselsesteenweg in Ledeberg.

Daar bouwde Pascale Mahy, de derde telg in de familie, de zaak uit tot het netwerk zoals we het vandaag kennen.

Er kwam een site in Lokeren, een extra showroom in Gent aan de Zeeschipstraat en één in Brugge.

De dame werd alom geroemd, maar overleed begin april 2020 aan een combinatie van longkanker en corona.

Deze maand wordt het contract getekend en zal de nieuwe eigenaar Valckenier, zodoende de grootste Renault -en Daciadealer van België worden.

De garages van Mahy zullen binnenkort ook die naam dragen.(Diverse bronnen en Wikipedia)

De passie van de Gentse ondernemer Ghislain Mahy voor auto’s en na drie generaties het einde voor garage Mahy in Gent.
De passie van de Gentse ondernemer Ghislain Mahy voor auto’s en na drie generaties het einde voor garage Mahy in Gent.
De passie van de Gentse ondernemer Ghislain Mahy voor auto’s en na drie generaties het einde voor garage Mahy in Gent.

60 jaar geleden, te gast bij de Gentse kunstschilder Jef Wauters.

Jef Wauters werd in 1927 geboren te Mariakerke als zoon van een Gents schoenenfabrikant.

Na zijn studies aan het Gentse Sint-Lievenscollege lokte een opendeurdag hem naar het Gentse Sint-Lucasinstituut.

Hij volgde er de lessen sierkunst, tekenen en schilderen bij Gerard Hermans en Maurice Tilley.

Later kreeg hij Jules De Sutter als leraar aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Gent.

Jef Wauters zou van 1949 tot 1959 zelf doceren aan het Hoger Instituut Sint-Lucas te Gent, waar hij die eerste stappen naar de kunstwereld had gezet.

Jef Wauters was de schilder van Venetië, een stad waar hij zich jaarlijks herbronde.

De schetsen die hij daar maakte vormden zijn archief voor mysterieuze olieverven met kleurrijke figuren en beelden van het architecturale erfgoed van Venetië.

Daarnaast was Wauters bekend als schilder van ontroerende, expressieve kinderkopjes, verveelde strenge rechters, statige bisschoppen, fleurige boeketten, swingende jazzmusici en van de schoonheid van zijn lievelingsbloem, de iris.

Hij ligt begraven op het kerkhof van het Vlaamse kunstenaarsdorp Deurle, een deelgemeente van Sint-Martens-Latem.

Zijn oeuvre bevindt zich thans in binnen- en buitenlandse musea en in privéverzamelingen.(Diverse bronnen, De Post 25 december 1960 en Wikipedia)

60 jaar geleden, te gast bij de Gentse kunstschilder Jef Wauters
60 jaar geleden, te gast bij de Gentse kunstschilder Jef Wauters
60 jaar geleden, te gast bij de Gentse kunstschilder Jef Wauters
60 jaar geleden, te gast bij de Gentse kunstschilder Jef Wauters
60 jaar geleden, te gast bij de Gentse kunstschilder Jef Wauters
60 jaar geleden, te gast bij de Gentse kunstschilder Jef Wauters