Vandaag 50 jaar geleden, poging om Panamarenko’s Zeppelin The Aeromodeller in de lucht te krijgen.

Tussen 1969 en 1971 bouwt Panamarenko zijn meest tot de verbeelding sprekende zeppelin, The Aeromodeller.

Het luchtschip belichaamt de droom van de kunstenaar om zich te allen tijde vrij te kunnen voortbewegen door het luchtruim.

De gondel van gevlochten rotan is geconcipieerd als woonruimte.

Boven op de gondel staan twee vliegtuigmotoren voor de besturing van het imposante luchtschip, dat gedragen wordt door een sigaarvormige ballon van bijna 30 meter lang.

Op 3 juli 1971 probeert Panamarenko de luchtwaardigheid van de zeppelin te testen op de weide van kunstenaar Jef Geys in Balen met als doel de oversteek te wagen naar het kunstenevenement ‘Sonsbeek buiten de perken’ in Nederland.

De overtocht wordt echter verboden door de Nederlandse luchtvaartpolitie, die Panamarenko hiervan per telegram op de hoogte brengt.

Tot overmaat van ramp steekt boven de weide in Balen een storm op, die de poging om op te stijgen doet mislukken.

The Aeromodeller groeit uit tot het icoon van Panamarenko’s oeuvre.

In de decennia die volgen, bouwt Panamarenko tal van variante modellen en prototypes voor luchtschepen, telkens met andere vormen, kleuren en verhoudingen. (Diverse bronnen, M HKA, Wikipedia en De Post 11 juli 1971)

Vandaag 50 jaar geleden, poging om Panamarenko’s Zeppelin The Aeromodeller in de lucht te krijgen.
Vandaag 50 jaar geleden, poging om Panamarenko’s Zeppelin The Aeromodeller in de lucht te krijgen.

Vandaag 32 jaar geleden, op een veiling bij Sotheby’s in Londen haalt het schilderij van Gentenaar Gustaaf De Smet, De blauwe Canpé de recordprijs van 550000 pond

Gustaaf De Smet werd geboren als zoon van de huisschilder-decorateur en fotograaf Jules De Smet.

Gustave had een 4 jaar jongere broer, de impressionistische Léon De Smet.

Beiden volgden de Gentse Academie.

Terwijl Gustave eerder onregelmatig volgde, was Léon een schitterend student.

De Smet trouwde in 1898 met Gusta Van Hoorebeke en bleef in Gent wonen.

Eerst in 1908 volgde hij zijn broer Léon naar Sint-Martens-Latem.

Daar ging hun aandacht eerder uit naar het impressionistische luminisme van Emile Claus, die in het nabijgelegen Astene verbleef, in zijn villa Zonneschijn.

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, week Gustave met zijn gezin en zijn vriend Frits Van den Berghe uit naar Nederland.

Van 1914 tot 1922 verbleven zij te Amsterdam, te Hilversum, te Laren en te Blaricum.

In Nederland leerde hij zowel het Duitse als het Hollandse expressionisme kennen, waarbij de Franse schilder Henri Le Fauconnier een voortrekkersrol speelde.

Dit betekende het grote keerpunt in zijn kunst.

Zijn enig kind, Firmin De Smet, overleed in 1918 toen hij twintig was, tijdens een spoorwegongeluk in het Nederlandse Weesp.

In 1922 keerde hij naar België terug, om samen met Frits Van den Berghe bij Permeke in te trekken, te Oostende.

Toen had hij toch al de Sélection-beweging op gang gebracht, met de Brusselse kunstkenners André de Ridder en Paul-Gustave van Hecke.

Na enige maanden trok hij weer naar zijn Leiestreek en in 1923 ging hij in Bachte-Maria-Leerne wonen en daarna in Afsnee, om zich ten slotte in 1927 in Deurle te vestigen.

In 1923 verscheen in de reeks Junge Kunst, een uitgave van Klinkhardt & Biermann in Leipzig, als Band 38 de eerste monografie van Gust De Smet met een dertigtal afbeeldingen.

Desmets expressionisme, met de eigen kubistische inslag, had op dat moment een hoogtepunt bereikt, met zijn circus- en kermistaferelen, zijn accordeonspelers en zijn evocaties van dorp en huis, doordrenkt van zijn specifiek coloriet.

Op dat ogenblik stond zijn expressieve kracht mijlenver van de visie van zijn broer Léon.

De Smet overleed op 66-jarige leeftijd te Deurle aan tuberculose.

In reactie op De Smets dood zei Permeke: “Hij was nooit klein.”

De Smets woonhuis wordt bewaard als lokaal museum, het Museum Gust De Smet, dat een duidelijk beeld geeft van de leefomgeving en het atelier.

Om de tand des tijds een beetje bij te vijlen heeft de gemeente gekozen om het museum te restaureren onder leiding van architect Maarten Dobbelaere.

De restauratie heeft plaatsgevonden in 2015-2016 en het museum is opnieuw geopend op 15 oktober 2016.

Het gebouw heeft opnieuw de uitstraling van weleer.

Je stapt als het ware binnen in het leven van Gust en Gusta De Smet. (diverse bronnen, Wikipedia en Foto 4 en 5 zijn oud huis , nu een museum)

Vandaag 90 jaar geleden, de geboorte van Pim De Rudder.

Eigenlijk wilde Pim De Rudder beeldhouwer worden, maar de paters van het Sint-Barbaracollege hadden hem dat afgeraden.

Hij ging dan maar architectuur studeren in Sint-Lucas in Gent.

Later keerde hij terug naar zijn geboortehuis in zijn dorp tussen de Oost-Vlaamse polders.

De Rudder maakte in de culturele wereld naam als galeriehouder.

Zijn kunstgalerij in de Hoogstraat lokte heel wat grote namen naar een ‘boerengat’ als Assenede.

Zo vond de eerste kunstexpositie van Hugo Claus plaats in zijn galerij. Maar ook Roger Raveel. Floris Jespers, Pjeroo Roobjee, Jan Decleir, Drs. P., Jan Hoet en zelfs voormalig eerste minister Théo Lefèvre behoorden tot Pims kennissenkring.

Dit jaar zijn er heel wat activiteiten rond ’60 Years of Gallery’ in de galerij Stichting Pim De Rudder in Assenede. (Diverse bronnen en foto’s Hans de Greve)

Vandaag 550 jaar geleden, de geboorte van Albrecht Dürer ( Duits kunstschilder, tekenaar, maker van houtsneden en kopergravures, kunsttheoreticus en humanist uit de Noordelijke renaissance)

Door de dood van Keizer Maximiliaan I eindigde ook zijn jaarlijkse toelage.

Daardoor maakte Dürer in juli 1520 een reis om zich te verzekeren van de gunst van de nieuwe keizer van het Heilige Roomse Rijk, keizer Karel V (kleinzoon van Keizer Maximiliaan I), die in Aken gekroond zou worden.

Dürer reisde met zijn echtgenote Agnes Frey en haar dienstmeid Johanna via de Rijn naar Keulen en daarna naar Antwerpen, waar hij met veel eer ontvangen werd.

Hij verbleef in Antwerpen vanaf 3 augustus 1520 tot en met 2 juli 1521.

Hij verbleef in het hotel Engelenborch, gelegen in de huidige Wolstraat 19 in Antwerpen.

De kunstenaar wilde zoveel mogelijk invloedrijke personen ontmoeten die voor hem konden pleiten bij Karel V.

Antwerpen had in Dürers tijd 8600 huizen en het bevolkingscijfer bedroeg 100000 inwoners en was daarmee even groot als Parijs.

In die periode ontmoette Dürer enkele malen Joachim Patinir, grondlegger van de Nederlandse landschapschilderkunst.

In juni 1521 ontmoetten Dürer en Lucas van Leyden elkaar in Antwerpen, ze wisselden prenten uit, en Dürer tekende bij die gelegenheid Van Leydens portret met zilverstift.

Tijdens zijn elf maanden durende verblijf in de Nederlanden, waarvan acht maanden in Antwerpen, tekende Dürer meer dan honderd portretten.

Het Antwerpse bestuur stelde aan hem voor, om definitief in Antwerpen te verblijven.

Hij zou daarvoor een jaarlijks inkomen krijgen van 300 gulden en een gratis woning.

Daarop zei hij, liever 100 gulden, maar dan in Neurenberg leven.

Het beeld van de kunstenaar is het enige overblijfsel van het huis dat ooit gebouwd is door Jan Adriaensens in de Lange Nieuwstraat 29 in Antwerpen.

Het beeld (hoofd) versierde daar de voorgevel omdat de bouwheren van mening waren dat deze kunstenaar veel voor Antwerpen gedaan had.

Het betreffende huis is afgebroken in 1852.

Hij bezocht ook Nijmegen, ‘s-Hertogenbosch, Brugge (waar hij Michelangelo’s beeldhouwwerk de Madonna van Brugge zag), Gent (waar hij Van Eycks Lam Gods bewonderde) en Zeeland.

In juni 1521 bracht hij een bezoek aan Margaretha van Oostenrijk in haar woning Hof van Savoye in Mechelen. Daar toonde ze haar collectie schilderijen aan hem.

Vooral de steun die hij ontving van Margareta van Oostenrijk, een dochter van keizer Maximiliaan, tante van Karel V en landvoogdes van de Nederlanden, zou daarbij van groot belang blijken te zijn.

In Brussel schilderde Dürer het portret van koning Christiaan II van Denemarken.

In Brussel zag hij ‘De dingen die naar de koning zijn gezonden uit het gouden land’, de Azteekse schatten, die Hernan Cortés naar Karel V stuurde na de val van Mexico.

Hij schreef dat de schat ‘voor mij mooier was dan wonderen.

Deze zaken zijn zo kostbaar dat hun waarde geschat wordt op 100.0000 florijnen’.

Het dagboek dat hij tijdens zijn reis door de Nederlanden bijhield, vormt een rijke bron van informatie voor kunsthistorici.

Dankzij zijn dagboek, komen we te weten dat dieven met de geldbeurs van zijn vrouw aan de haal gingen en dat tijdens een bezoek aan de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Antwerpen.

Ook krijgen we een beeld van Albrecht Dürer zijn karakter, want hij was toch een beetje aan de gierige kant.

Zo vermeldt hij elke stuiver en gulden die hij uitgeeft.

Zelfs het verlies tijdens een spelletje in de kroegen noteerde hij.

In zijn dagboek schreef hij ook, Antwerpen daar is geld genoeg, maar hij kon van deze rijkdom niet delen.

Want hij stelde vast dat buiten enkele mooie geschenken, hem in het geheel niets opgebracht had.

Toch met een verzekerde toeslag van 100 gulden, maar mogelijk besmet met malaria, keerde Dürer terug naar Neurenberg.

Hij werd na zijn overlijden in 1528 op de begraafplaats van het Johannisfriedhof ter aarde besteld en liet zijn weduwe een groot huis na, thans het Albrecht Dürer Huis, waar hij ook zijn atelier had gehad.

Zij stierf er in 1539.(Diverse bronnen, Wikipedia en De Post 16 mei 1971)

Vandaag 550 jaar geleden, de geboorte van Albrecht Dürer ( Duits kunstschilder, tekenaar, maker van houtsneden en kopergravures, kunsttheoreticus en humanist uit de Noordelijke renaissance)
Vandaag 550 jaar geleden, de geboorte van Albrecht Dürer ( Duits kunstschilder, tekenaar, maker van houtsneden en kopergravures, kunsttheoreticus en humanist uit de Noordelijke renaissance)
Vandaag 550 jaar geleden, de geboorte van Albrecht Dürer ( Duits kunstschilder, tekenaar, maker van houtsneden en kopergravures, kunsttheoreticus en humanist uit de Noordelijke renaissance)
Vandaag 550 jaar geleden, de geboorte van Albrecht Dürer ( Duits kunstschilder, tekenaar, maker van houtsneden en kopergravures, kunsttheoreticus en humanist uit de Noordelijke renaissance)

40 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse kunstenaar André Bogaert.

André Bogaert studeerde aan de Academie van Dendermonde en later aan het Hoger Instituut van Antwerpen.

Om te schetsen en studies te maken, ging hij onder andere in de leer bij Emile Claus, Prosper De Troyer en Albert Saverys.

Hij was assistent bij Floris Jespers en de Amerikaan Steinbech.

In 1953 behaalde hij de Prijs Laurent Meeus en in 1956 de prijs Burgemeester Camille Huysmans.

André Bogaert verkreeg in 1958 de beurs van de Unesco bij atelier Kokoscka voor München en Salzburg.

Verder werd hij vermeld bij de Talensprijs, de Olivettiprijs en de Prijs van de Jonge Belgische Schilderkunst.

In In 1958 trad hij toe tot de “G58”-groep in Antwerpen.

Hij was aanvankelijk actief als schilder, maar vanaf het midden van de jaren 60 begon hij allerlei reliëfs te assembleren, met behulp van verschillende materialen zoals hout, vilt, schuim, polyester, textiel en machineonderdelen.

In België werd assemblage kunst beschouwd als: de metamorfose van het object.

Toonaangevend binnen de Belgische moderne kunst waren de activiteiten van de Antwerpse G58 en de Gentse-Forum tentoonstellingen.

Manifestaties waar Bogaerts werk meermaals vertoond werd en door kunstcritici en pers positief onthaald.

Er begon zich een Belgische groep van assemblagekunstenaars te manifesteren: Camiel Van Breedam, Vic Gentils, Paul Van Hoeydonck, Remo Martini en Annie Debie.

In 1964 werd hun lidmaatschap uitgebreid met Bogaert en enkele andere oude G58ers.

Rond 1974 keerde hij terug naar het schilderen en schilderde hij landschappen, struiken en bomen, waaraan hij vreemde elementen toevoegde zoals witte cirkels, vierkanten of abstracte figuren.

Zijn werken werden geëxposeerd in 32 tentoonstellingen te Antwerpen, Gent, Brussel, Leuven, Sint-Niklaas, Ronse, Lokeren (Parkhotel en galerie De Vuyst), Luik, Rotterdam, Milaan en Londen, zowel tijdens zijn leven als na zijn dood.

In diverse musea zijn werken van hem te vinden, onder andere in het SMAK en in het Museum voor Moderne Kunst te Brussel.

In Zele-Durmen werd de “Durmeboorden Wandelroute” geopend, waarlangs een 25-tal reproducties van werken van Dré Bogaert werden geplaatst. (Diverse bronnen, Wikipedia en De Post 17 mei 1981)

40 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse kunstenaar André Bogaert
40 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse kunstenaar André Bogaert
40 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse kunstenaar André Bogaert
40 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse kunstenaar André Bogaert

Vandaag 30 jaar geleden, vernissage van de tentoonstelling Waanzin in het Museum Dr. Guislain in Gent.

Dees De Bruyne woont in 1991 enkele weken op de zolder van het Psychiatrisch Centrum Dr. Guislain in Gent en heeft er veel contacten met de patiënten.

Roland De Bruyne, broer van Dees, werkt er in die tijd.

Wanneer de kunstenaar wordt gevraagd om er een tentoonstelling te houden, is zijn voorwaarde dat hij er een tijdje zou verblijven, samen met zijn vrouw Octavia De Buysscher.

Ze wonen er samen in een oude slaapzaal van de meisjesafdeling.

Dit vormde de basis van een reeks schilderijen, die een merkwaardige stap vormen in een œuvre gekenmerkt door passie, erotiek, agressie en een ontwricht wereldbeeld.

Zijn werken komen deels bijtend kritisch, deels ontroerend romantisch over.

Vooral de zuiver erotische werken ademen een sfeer van vrede.

De kunstenaar: “Ik wil geen werk maken zonder een mens erop.”(Diverse bronnen, Foto’s Humo 2 mei 1991, Museum De Rede, Galerie Waterfront, Gent, Video zien we Celia van café de Oceaan)

50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny

Leopold (alias Pol) Scrayen werd geboren in Hechtel (Vlaams Limburg) op 7 december 1920.

Leopold Scrayen was als beeldende kunstenaar een selfmade man die in de wereld van de ‘grote kunst’ in eigen land niet altijd de waardering kreeg die hij verdiende.

Pas op latere leeftijd nam hij hamer en beitel ter hand om zijn eerste kunstcreaties vorm te gegeven.

Voordien was hij werkzaam als bovengrondse arbeider in een van de Limburgse koolmijnen.

Hij verdiende er als lasser de kost tot hij in 1959, op 39-jarige leeftijd, ziek werd.

Een ernstige hartkwaal die gepaard ging met verlammingsverschijnselen belette hem zijn beroep nog langer uit te oefenen.

Het duurde drie jaar vooraleer hij opnieuw te been was.

Op zoek naar geschikt werk, kwam hij eerder toevallig terecht bij een bedrijf in Bree waar grafzerken werden gemaakt.

Hij zag er een beeldhouwer aan de slag en zelfverzekerd beweerde Scrayen, die nooit eerder als beeldhouwer of als tekenaar enige opleiding had genoten: ‘dat kan ik ook’…

Het klonk zo overtuigend dat de grafsteenmaker Scrayen bij wijze van proef een Christuskop liet beitelen. Raar maar waar, het werkstuk voldeed aan alle vereisten van de kunst en Leopold werd in dienst genomen.

De eenvoudige arbeider had in zich het oertalent ontdekt.

Al vlug experimenteerde hij ook met het maken van portretten in zachtere materie.

Een vriend bezorgde hem de geschikte essen-, linden- en beukenhouten planken en Scrayen vond zijn ware roeping in het maken van houtsculpturen.

Na een paar jaar liet hij het steenhouwen voor wat het was om zich voltijds toe te leggen op het hakken van houten bas-reliëfs, hoofdzakelijk portretten.

Geregeld maakte hij ook wand- en sierpanelen voor het bouwbedrijf in opdracht van architecten.

De eigenzinnige ‘filosoof’ en would-be-kunstenaar die Scrayen in de ogen van zijn dorpsgenoten was, oogstte aanvankelijk enige spot, maar al vlug erkenden vriend en vijand de hoogstaande kwaliteit van zijn werk.

Het duurde geen tijd of de bestellingen liepen in die mate binnen dat Leopold zich voltijds aan zijn kunst kon wijden.

Leopold Scrayen slaagde erin om van zijn kunst te leven en zijn gezin te onderhouden.

Op geregelde tijdstippen wist hij zich in de belangstelling te plaatsen met het portretteren van nationale en internationale figuren zoals lukraak Jozef Muls, Stijn Streuvels, Beethoven, J.P. Belmondo, W. Churchill, H. Ford, C. De Gaulle, E. Hemingway, J.F. Kennedy, de pausen Paulus VI en Johannes Paulus II, J. Sibelius en vele andere.

Tussen de bedrijven door maakte Leopold ook af en toe kopergravures met Bijbelse taferelen als thema.

Dikwijls werkte hij in opdracht van officiële besturen of bedrijven maar ook en vooral creëerde hij de portretten omdat hij grote bewondering had voor de uitgebeelde personaliteiten.

De kunstwerken werden dan meestal via de betrokken ambassades of bij officiële ontvangsten aan de geportretteerde overhandigd.

Dit bracht de artiest Scrayen heel wat nationale en internationale bekendheid en erkenning.

Te bescheiden en te streekgebonden, ging Leopold zelden in op uitnodigingen – ook van vermaarde internationale galerijen, onder andere in Londen – voor deelname aan tentoonstellingen.

Hij had lak aan officieel gedoe: hij bleef afwezig.

Hij maakte een uitzondering voor het officiële Belgische paviljoen op de Wereldtentoonstelling van Montreal (1967) waar bas-reliëfs te zien waren met portretten van Salvador Dali, Martin Luther King en Orson Welles en ook een zelfportret.

Leopold Scrayen ontwikkelde een sterk persoonlijke stijl, ‘kubistisch’ zoals hijzelf de neo-art-decostijl definieerde waarin hij portretten uit het hout hakte.

Hij was getrouwd met Maria Vandebroek en had drie dochters.

De jongste dochter, Gabriëlle, was aanvankelijk operazangeres bij de Koninklijke Opera van Antwerpen.

Na een reeks gastoptredens in januari 1980 in de opera van Sidney kwam zij niet meer naar Vlaanderen terug en bleef zij in Australië wonen.

In Perth ging zij weer studeren en na haar studies kon.

Zij achtereenvolgens als lerares en chemica aan de slag in haar nieuwe thuisland.

In 1986 emigreerde ook Leopolds oudste dochter Jenny.

Zij had een echtscheiding achter de rug en vertrok met haar drie kinderen om in Australië, als kunstenares, een nieuwe toekomst op te bouwen.

In februari 1989 ging ook de derde dochter met haar man en twee kinderen zich in Australië vestigen.

Leopold en zijn echtgenote bleven als verweesd achter.

Al vlug konden zij het verlangen naar hun kinderen, klein- en achterkleinkinderen niet langer onderdrukken en uiteindelijk, op 16 februari 1990, waagde ook het ouderpaar de overtocht en werd de hele familie er weer herenigd.

Nadat Leopold in Hechtel had bewezen een begenadigde kunstenaar, een oertalent te zijn, viel de artistieke creativiteit van de ruim 70-jarige man, na de emigratie naar Australië wat stil, maar zijn al even getalenteerde dochter Jenny zette er de traditie verder. In haar jeugd uitsluitend opgeleid door haar vader, maakt zij zich nu nog verdienstelijk met, zoals gezegd, het geven van lessen ‘wood-carving’ aan diverse kunstacademies.

In Australië maakte zij onder meer ook naam door het maken van houtsculpturen voor replica’s van historische schepen naar middeleeuwse modellen.

Verteerd door heimwee naar zijn geboortedorp, overleed vader Scrayen er op 79-jarige leeftijd.

Hij overleed te Marangaroo (Perth, West-Australië) op 21 augustus 1999.(Diverse bronnen, Paul Thiers en De Post van 2 mei 1971)

50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny
50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny
50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny

30 jaar geleden, de vrijwillige collocatie van de Gentse kunstenaar Dees De Bruyne (Humo 2 mei 1991)

30 jaar geleden, de vrijwillige collocatie van de Gentse kunstenaar Dees De Bruyne (Humo 2 mei 1991)
30 jaar geleden, de vrijwillige collocatie van de Gentse kunstenaar Dees De Bruyne (Humo 2 mei 1991)
30 jaar geleden, de vrijwillige collocatie van de Gentse kunstenaar Dees De Bruyne (Humo 2 mei 1991)
30 jaar geleden, de vrijwillige collocatie van de Gentse kunstenaar Dees De Bruyne (Humo 2 mei 1991)

60 jaar geleden, te gast bij de Franse kunstenaar Jean Lurçat in zijn kasteel in de gemeente Saint-Laurent-les-Tours

Jean Lurçat was een Franse kunstenaar die geboren is in 1892 te Bruyères en die overleden is in 1966 te Saint-Paul-de-Vence.

Hij staat vooral bekend om zijn rol in de heropleving van het hedendaagse tapijt.

In Angers gelegen in het westen van Frankrijk in het departement Maine-et-Loire, (ongeveer 300 km ten zuidwesten van Parijs) is er het Jean-Lurçat Museum voor moderne wandtapijten (musée Jean-Lurçat et de la tapisserie contemporaine) en ondergebracht op een historisch middeleeuwse locatie, namelijk het voormalige ziekenhuis Saint-Jean.

In de grote ziekenzaal, een prachtig voorbeeld van de Angevijns gotische stijl, is sinds 1968 de beroemde “Chant du Monde” ondergebracht.

Een kunstwerk van de beroemde schilder, keramist en wandtapijtmaker Jean Lurçat. “Chant du Monde”, een moderne repliek van de beroemde middeleeuwse wandkleed Apocalypse, is tussen 1957 en 1966 geweven in Aubusson en bestaat uit tien wandpanelen, met een totaal oppervlak van 500 m²!

Dit monumentale en spectaculaire kunstwerk van Jean Lurçat is het grootste moderne geheel van wandtapijten.

Deze textiel-symfonie gaat over de toekomst van de mensheid, en biedt een symbolische- en humanistische visie op de 20ste eeuw.(Diverse bronnen, Wikipedia, foto’s Paris Match 29 april 1961 en Wikipedia)

60 jaar geleden, te gast bij de Franse kunstenaar Jean Lurçat in zijn kasteel in de gemeente Saint-Laurent-les-Tours
60 jaar geleden, te gast bij de Franse kunstenaar Jean Lurçat in zijn kasteel in de gemeente Saint-Laurent-les-Tours
Kasteel Saint-Laurent-les-Tours, waar ook zijn atelier was en nu een museum is
60 jaar geleden, te gast bij de Franse kunstenaar Jean Lurçat in zijn kasteel in de gemeente Saint-Laurent-les-Tours
60 jaar geleden, te gast bij de Franse kunstenaar Jean Lurçat in zijn kasteel in de gemeente Saint-Laurent-les-Tours
60 jaar geleden, te gast bij de Franse kunstenaar Jean Lurçat in zijn kasteel in de gemeente Saint-Laurent-les-Tours
60 jaar geleden, te gast bij de Franse kunstenaar Jean Lurçat in zijn kasteel in de gemeente Saint-Laurent-les-Tours
Jean Lurçat à Angers

Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden.

Albert Servaes werd in april 1883 geboren in Gent.

Servaes werkte aanvankelijk als handelsreiziger.

Hij volgde in de jaren 1901 en 1902 avondlessen aan de Academie voor Beeldende Kunst (Gent)In 1905 trok hij naar Sint-Martens-Latem waar hij zich in een houten keet vestigde.

In Latem leerde Servaes een aantal kunstenaars kennen zoals Gustave Van de Woestyne en George Minne.

Hun religieussymbolistisch oeuvre inspireerde Servaes, maar tegelijk ging hij op zoek naar een eigen beeldtaal die brak met het werk van deze eerste Latemse kunstenaarsgroep.

Een zeer donker kleurenpalet en een expressieve verftoets werden zijn handelsmerk.

Met zijn werk beïnvloedde Servaes onder meer kunstenaars zoals Constant Permeke en Albert Saverys.

De expressieve stijl die Servaes vanaf 1910 ontwikkelde, kwam tot een hoogtepunt in de reeksen die hij in de periode 1918-1922 maakte rond het Passieverhaal en de Kruisweg van Christus.

Ook al werd dit werk verworpen door de Rooms-Katholieke Kerk, het bevestigde zijn reputatie van moderne kunstenaar die religieuze thema’s herinterpreteert, net als tijdgenoten Emil Nolde in Duitsland en Georges Rouault in Frankrijk.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog, in 1917 gaf hij opdracht aan architect August Desmet om op de plaats van een 18de-eeuws boerderijtje een woonhuis en atelier te bouwen.

In het ontwerp inspireerde architect A. Desmet in samenspraak met Servaes zich op romaanse kloosterarchitectuur en de traditionele hoevebouw.

Het Torenhuis, naam van het pand draagt het jaaranker 1917, maar werd pas na het einde van de oorlog, in 1919, voltooid.

In 1982 verkocht Piet Servaes, zoon van de schilder het pand.

Na de verkoop van het huis werd de atelierwoning omgebouwd tot hotel.

Vanwege sympathieën die hij openlijk koesterde voor de Duitse cultuurpolitiek tijdens het nationaalsocialisme.

Uit angst voor juridische vervolging, verliet hij in 1944 ons land en vestigde zich in 1945 te Lüzern en verwierf hij in 1961 de Zwitserse nationaliteit

In 2005 was hij ook een van de kansmakers op de titel De Grootste Belg, maar haalde de uiteindelijke nominatielijst niet en strandde op nr. 71 van diegenen die net buiten de nominatielijst vielen.

Servaes is de overgrootvader van Valerie De Booser. (Diverse bronnen, Museum Dhondt-Dhaenens, De Post 30 april 1961 en Wikipedia)

Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden
Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden
Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden
Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden