Vandaag 30 jaar geleden, vernissage van de tentoonstelling Waanzin in het Museum Dr. Guislain in Gent.

Dees De Bruyne woont in 1991 enkele weken op de zolder van het Psychiatrisch Centrum Dr. Guislain in Gent en heeft er veel contacten met de patiënten.

Roland De Bruyne, broer van Dees, werkt er in die tijd.

Wanneer de kunstenaar wordt gevraagd om er een tentoonstelling te houden, is zijn voorwaarde dat hij er een tijdje zou verblijven, samen met zijn vrouw Octavia De Buysscher.

Ze wonen er samen in een oude slaapzaal van de meisjesafdeling.

Dit vormde de basis van een reeks schilderijen, die een merkwaardige stap vormen in een œuvre gekenmerkt door passie, erotiek, agressie en een ontwricht wereldbeeld.

Zijn werken komen deels bijtend kritisch, deels ontroerend romantisch over.

Vooral de zuiver erotische werken ademen een sfeer van vrede.

De kunstenaar: “Ik wil geen werk maken zonder een mens erop.”(Diverse bronnen, Foto’s Humo 2 mei 1991, Museum De Rede, Galerie Waterfront, Gent, Video zien we Celia van café de Oceaan)

50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny

Leopold (alias Pol) Scrayen werd geboren in Hechtel (Vlaams Limburg) op 7 december 1920.

Leopold Scrayen was als beeldende kunstenaar een selfmade man die in de wereld van de ‘grote kunst’ in eigen land niet altijd de waardering kreeg die hij verdiende.

Pas op latere leeftijd nam hij hamer en beitel ter hand om zijn eerste kunstcreaties vorm te gegeven.

Voordien was hij werkzaam als bovengrondse arbeider in een van de Limburgse koolmijnen.

Hij verdiende er als lasser de kost tot hij in 1959, op 39-jarige leeftijd, ziek werd.

Een ernstige hartkwaal die gepaard ging met verlammingsverschijnselen belette hem zijn beroep nog langer uit te oefenen.

Het duurde drie jaar vooraleer hij opnieuw te been was.

Op zoek naar geschikt werk, kwam hij eerder toevallig terecht bij een bedrijf in Bree waar grafzerken werden gemaakt.

Hij zag er een beeldhouwer aan de slag en zelfverzekerd beweerde Scrayen, die nooit eerder als beeldhouwer of als tekenaar enige opleiding had genoten: ‘dat kan ik ook’…

Het klonk zo overtuigend dat de grafsteenmaker Scrayen bij wijze van proef een Christuskop liet beitelen. Raar maar waar, het werkstuk voldeed aan alle vereisten van de kunst en Leopold werd in dienst genomen.

De eenvoudige arbeider had in zich het oertalent ontdekt.

Al vlug experimenteerde hij ook met het maken van portretten in zachtere materie.

Een vriend bezorgde hem de geschikte essen-, linden- en beukenhouten planken en Scrayen vond zijn ware roeping in het maken van houtsculpturen.

Na een paar jaar liet hij het steenhouwen voor wat het was om zich voltijds toe te leggen op het hakken van houten bas-reliëfs, hoofdzakelijk portretten.

Geregeld maakte hij ook wand- en sierpanelen voor het bouwbedrijf in opdracht van architecten.

De eigenzinnige ‘filosoof’ en would-be-kunstenaar die Scrayen in de ogen van zijn dorpsgenoten was, oogstte aanvankelijk enige spot, maar al vlug erkenden vriend en vijand de hoogstaande kwaliteit van zijn werk.

Het duurde geen tijd of de bestellingen liepen in die mate binnen dat Leopold zich voltijds aan zijn kunst kon wijden.

Leopold Scrayen slaagde erin om van zijn kunst te leven en zijn gezin te onderhouden.

Op geregelde tijdstippen wist hij zich in de belangstelling te plaatsen met het portretteren van nationale en internationale figuren zoals lukraak Jozef Muls, Stijn Streuvels, Beethoven, J.P. Belmondo, W. Churchill, H. Ford, C. De Gaulle, E. Hemingway, J.F. Kennedy, de pausen Paulus VI en Johannes Paulus II, J. Sibelius en vele andere.

Tussen de bedrijven door maakte Leopold ook af en toe kopergravures met Bijbelse taferelen als thema.

Dikwijls werkte hij in opdracht van officiële besturen of bedrijven maar ook en vooral creëerde hij de portretten omdat hij grote bewondering had voor de uitgebeelde personaliteiten.

De kunstwerken werden dan meestal via de betrokken ambassades of bij officiële ontvangsten aan de geportretteerde overhandigd.

Dit bracht de artiest Scrayen heel wat nationale en internationale bekendheid en erkenning.

Te bescheiden en te streekgebonden, ging Leopold zelden in op uitnodigingen – ook van vermaarde internationale galerijen, onder andere in Londen – voor deelname aan tentoonstellingen.

Hij had lak aan officieel gedoe: hij bleef afwezig.

Hij maakte een uitzondering voor het officiële Belgische paviljoen op de Wereldtentoonstelling van Montreal (1967) waar bas-reliëfs te zien waren met portretten van Salvador Dali, Martin Luther King en Orson Welles en ook een zelfportret.

Leopold Scrayen ontwikkelde een sterk persoonlijke stijl, ‘kubistisch’ zoals hijzelf de neo-art-decostijl definieerde waarin hij portretten uit het hout hakte.

Hij was getrouwd met Maria Vandebroek en had drie dochters.

De jongste dochter, Gabriëlle, was aanvankelijk operazangeres bij de Koninklijke Opera van Antwerpen.

Na een reeks gastoptredens in januari 1980 in de opera van Sidney kwam zij niet meer naar Vlaanderen terug en bleef zij in Australië wonen.

In Perth ging zij weer studeren en na haar studies kon.

Zij achtereenvolgens als lerares en chemica aan de slag in haar nieuwe thuisland.

In 1986 emigreerde ook Leopolds oudste dochter Jenny.

Zij had een echtscheiding achter de rug en vertrok met haar drie kinderen om in Australië, als kunstenares, een nieuwe toekomst op te bouwen.

In februari 1989 ging ook de derde dochter met haar man en twee kinderen zich in Australië vestigen.

Leopold en zijn echtgenote bleven als verweesd achter.

Al vlug konden zij het verlangen naar hun kinderen, klein- en achterkleinkinderen niet langer onderdrukken en uiteindelijk, op 16 februari 1990, waagde ook het ouderpaar de overtocht en werd de hele familie er weer herenigd.

Nadat Leopold in Hechtel had bewezen een begenadigde kunstenaar, een oertalent te zijn, viel de artistieke creativiteit van de ruim 70-jarige man, na de emigratie naar Australië wat stil, maar zijn al even getalenteerde dochter Jenny zette er de traditie verder. In haar jeugd uitsluitend opgeleid door haar vader, maakt zij zich nu nog verdienstelijk met, zoals gezegd, het geven van lessen ‘wood-carving’ aan diverse kunstacademies.

In Australië maakte zij onder meer ook naam door het maken van houtsculpturen voor replica’s van historische schepen naar middeleeuwse modellen.

Verteerd door heimwee naar zijn geboortedorp, overleed vader Scrayen er op 79-jarige leeftijd.

Hij overleed te Marangaroo (Perth, West-Australië) op 21 augustus 1999.(Diverse bronnen, Paul Thiers en De Post van 2 mei 1971)

50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny
50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny
50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny

30 jaar geleden, de vrijwillige collocatie van de Gentse kunstenaar Dees De Bruyne (Humo 2 mei 1991)

30 jaar geleden, de vrijwillige collocatie van de Gentse kunstenaar Dees De Bruyne (Humo 2 mei 1991)
30 jaar geleden, de vrijwillige collocatie van de Gentse kunstenaar Dees De Bruyne (Humo 2 mei 1991)
30 jaar geleden, de vrijwillige collocatie van de Gentse kunstenaar Dees De Bruyne (Humo 2 mei 1991)
30 jaar geleden, de vrijwillige collocatie van de Gentse kunstenaar Dees De Bruyne (Humo 2 mei 1991)

60 jaar geleden, te gast bij de Franse kunstenaar Jean Lurçat in zijn kasteel in de gemeente Saint-Laurent-les-Tours

Jean Lurçat was een Franse kunstenaar die geboren is in 1892 te Bruyères en die overleden is in 1966 te Saint-Paul-de-Vence.

Hij staat vooral bekend om zijn rol in de heropleving van het hedendaagse tapijt.

In Angers gelegen in het westen van Frankrijk in het departement Maine-et-Loire, (ongeveer 300 km ten zuidwesten van Parijs) is er het Jean-Lurçat Museum voor moderne wandtapijten (musée Jean-Lurçat et de la tapisserie contemporaine) en ondergebracht op een historisch middeleeuwse locatie, namelijk het voormalige ziekenhuis Saint-Jean.

In de grote ziekenzaal, een prachtig voorbeeld van de Angevijns gotische stijl, is sinds 1968 de beroemde “Chant du Monde” ondergebracht.

Een kunstwerk van de beroemde schilder, keramist en wandtapijtmaker Jean Lurçat. “Chant du Monde”, een moderne repliek van de beroemde middeleeuwse wandkleed Apocalypse, is tussen 1957 en 1966 geweven in Aubusson en bestaat uit tien wandpanelen, met een totaal oppervlak van 500 m²!

Dit monumentale en spectaculaire kunstwerk van Jean Lurçat is het grootste moderne geheel van wandtapijten.

Deze textiel-symfonie gaat over de toekomst van de mensheid, en biedt een symbolische- en humanistische visie op de 20ste eeuw.(Diverse bronnen, Wikipedia, foto’s Paris Match 29 april 1961 en Wikipedia)

60 jaar geleden, te gast bij de Franse kunstenaar Jean Lurçat in zijn kasteel in de gemeente Saint-Laurent-les-Tours
60 jaar geleden, te gast bij de Franse kunstenaar Jean Lurçat in zijn kasteel in de gemeente Saint-Laurent-les-Tours
Kasteel Saint-Laurent-les-Tours, waar ook zijn atelier was en nu een museum is
60 jaar geleden, te gast bij de Franse kunstenaar Jean Lurçat in zijn kasteel in de gemeente Saint-Laurent-les-Tours
60 jaar geleden, te gast bij de Franse kunstenaar Jean Lurçat in zijn kasteel in de gemeente Saint-Laurent-les-Tours
60 jaar geleden, te gast bij de Franse kunstenaar Jean Lurçat in zijn kasteel in de gemeente Saint-Laurent-les-Tours
60 jaar geleden, te gast bij de Franse kunstenaar Jean Lurçat in zijn kasteel in de gemeente Saint-Laurent-les-Tours
Jean Lurçat à Angers

Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden.

Albert Servaes werd in april 1883 geboren in Gent.

Servaes werkte aanvankelijk als handelsreiziger.

Hij volgde in de jaren 1901 en 1902 avondlessen aan de Academie voor Beeldende Kunst (Gent)In 1905 trok hij naar Sint-Martens-Latem waar hij zich in een houten keet vestigde.

In Latem leerde Servaes een aantal kunstenaars kennen zoals Gustave Van de Woestyne en George Minne.

Hun religieussymbolistisch oeuvre inspireerde Servaes, maar tegelijk ging hij op zoek naar een eigen beeldtaal die brak met het werk van deze eerste Latemse kunstenaarsgroep.

Een zeer donker kleurenpalet en een expressieve verftoets werden zijn handelsmerk.

Met zijn werk beïnvloedde Servaes onder meer kunstenaars zoals Constant Permeke en Albert Saverys.

De expressieve stijl die Servaes vanaf 1910 ontwikkelde, kwam tot een hoogtepunt in de reeksen die hij in de periode 1918-1922 maakte rond het Passieverhaal en de Kruisweg van Christus.

Ook al werd dit werk verworpen door de Rooms-Katholieke Kerk, het bevestigde zijn reputatie van moderne kunstenaar die religieuze thema’s herinterpreteert, net als tijdgenoten Emil Nolde in Duitsland en Georges Rouault in Frankrijk.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog, in 1917 gaf hij opdracht aan architect August Desmet om op de plaats van een 18de-eeuws boerderijtje een woonhuis en atelier te bouwen.

In het ontwerp inspireerde architect A. Desmet in samenspraak met Servaes zich op romaanse kloosterarchitectuur en de traditionele hoevebouw.

Het Torenhuis, naam van het pand draagt het jaaranker 1917, maar werd pas na het einde van de oorlog, in 1919, voltooid.

In 1982 verkocht Piet Servaes, zoon van de schilder het pand.

Na de verkoop van het huis werd de atelierwoning omgebouwd tot hotel.

Vanwege sympathieën die hij openlijk koesterde voor de Duitse cultuurpolitiek tijdens het nationaalsocialisme.

Uit angst voor juridische vervolging, verliet hij in 1944 ons land en vestigde zich in 1945 te Lüzern en verwierf hij in 1961 de Zwitserse nationaliteit

In 2005 was hij ook een van de kansmakers op de titel De Grootste Belg, maar haalde de uiteindelijke nominatielijst niet en strandde op nr. 71 van diegenen die net buiten de nominatielijst vielen.

Servaes is de overgrootvader van Valerie De Booser. (Diverse bronnen, Museum Dhondt-Dhaenens, De Post 30 april 1961 en Wikipedia)

Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden
Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden
Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden
Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden

60 jaar geleden, te gast bij de Nederlandse kunstschilder Jo Voskuil.

Jo Voskuil was onderwijzer in Breda, als schilder was hij autodidact.

In de jaren 20 vertrok hij naar Bergen aan Zee waar hij zich volledig aan de kunst wijdde.

Hij was communist en maakte veel politieke affiches en boekomslagen, zoals die van de Nieuwe Geïllustreerde Wereldgeschiedenis (1929-1932) onder redactie van Jan Romein. Van zijn affiches werden Arbeiders leest De Tribune (uit de jaren 20) en De Olympiade onder dictatuur bekend.

Hij maakte ze voor de expositie die hij samen met de fotograaf Cas Oorthuys in 1936 organiseerde om ten tijde van de Berlijnse genazificeerde Olympiade het werkelijke Duitsland te laten zien.

Samen met Oorthuys vormde hij van 1932 tot 1935 het reclamebureau OV 20 (Oorthuys-Vos 20) en ontwierp daar ook boekbanden.

Voskuil was lid van de Amsterdamse kunstenaarsvereniging ‘De Onafhankelijken’, maar zegde zijn lidmaatschap op toen de vereniging zich eind 1941/begin 1942 aansloot bij de Nederlandsche Kultuurkamer.

Voskuil vond aansluiting bij het illegale blad De Vrije Kunstenaar rond beeldhouwer en verzetsman Gerrit van der Veen.

De clown was een van Voskuils favoriete onderwerpen, zoals zijn Clown met masker (1933, Breda’s Museum).

Hij maakte ook een portret van Wim Ibo.

Voskuil trouwde op 5 mei 1938 met de Duitse operettezangeres, toneelspeelster en cabaretière Dora Paulsen. Zij kregen geen kinderen.

Na haar overlijden in 1970 hertrouwde hij op 21 januari 1972 met de operazangeres Ruth Horna.

Jo Voskuil overleed niet lang daarna.

60 jaar geleden, te gast bij de Nederlandse kunstschilder Jo Voskuil
60 jaar geleden, te gast bij de Nederlandse kunstschilder Jo Voskuil
60 jaar geleden, te gast bij de Nederlandse kunstschilder Jo Voskuil
60 jaar geleden, te gast bij de Nederlandse kunstschilder Jo Voskuil
60 jaar geleden, te gast bij de Nederlandse kunstschilder Jo Voskuil

50 jaar geleden, ten huize van de dichter Paul Snoek

Paul Snoek wordt gerekend tot de Vijfenvijftigers, een groep experimentele dichters van voornamelijk Vlaamse origine gegroepeerd rond Gard Sivik, zoals Gust Gils en Hugues C. Pernath, die allen zijn gaan publiceren voor 1955.

Deze generatie dichters vormde een reactie op de voornamelijk Nederlandse Vijftigers, waaronder Lucebert, Gerrit Kouwenaar, Jan Elburg, Remco Campert, Simon Vinkenoog, Hans Andreus en Hugo Claus.

Paul Snoek weigerde trouwens ingedeeld te worden bij de Nederlandse Vijftigers.

Zijn werk is moeilijk bij één stroming in te delen of valt moeilijk onder één noemer te vatten.

Begonnen als romantisch dichter, evolueerde hij naar meer agressieve en cynische geschriften.

Op het laatste werd hij een gelaten, pessimistisch dichter, in overeenstemming met zijn manisch-depressieve buien.

Paul Snoek schilderde ook en stelde zijn werken tentoon. Het KaZ in Oostende bezit een viertal schilderijen van hem, onder andere “Little Venus” en “Angry Jupiter”.(Diverse bronnen, Wikipedia en De Post van 21 maart 1971)

50 jaar geleden, ten huize van de dichter Paul Snoek (De Post april 1971)
50 jaar geleden, ten huize van de dichter Paul Snoek (De Post april 1971)
50 jaar geleden, ten huize van de dichter Paul Snoek (De Post april 1971)
50 jaar geleden, ten huize van de dichter Paul Snoek (De Post april 1971)

40 jaar geleden, kunstschilder Lucien Van Den Driessche in de Post van 15 maart 1981

Kunstenaar Lucien Van Den Driessche (Deinze, 1926 – Jette, 1991) was de zoon van René Van Den Driessche, eveneens een kunstschilder uit Deinze.

Lucien was een autodidact die aanvankelijk schilderde onder invloed van de Latemse School (Saverys, De Smet, Permeke).

Hij begon in ’59 met materieschilderijen.

40 jaar geleden, kunstschilder Lucien Van Den Driessche in de Post van 15 maart 1981
40 jaar geleden, kunstschilder Lucien Van Den Driessche in de Post van 15 maart 1981

50 jaar geleden, tentoonstelling schilderijen van Toon Hermans in het Brabantse Haren (De Post 7 maart 1951).

50 jaar geleden, tentoonstelling schilderijen van Toon Hermans in het Brabantse Haren (De Post 7 maart 1951).
50 jaar geleden, tentoonstelling schilderijen van Toon Hermans in het Brabantse Haren (De Post 7 maart 1951).
50 jaar geleden, tentoonstelling schilderijen van Toon Hermans in het Brabantse Haren (De Post 7 maart 1951).
50 jaar geleden, tentoonstelling schilderijen van Toon Hermans in het Brabantse Haren (De Post 7 maart 1951).

40 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse kunstschilder Marc Mendelson.

50 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse kunstschilder Marc Mendelson
50 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse kunstschilder Marc Mendelson

Marc Mendelson is schilder, aquarellist, zeefdrukker en beeldhouwer.

Zijn Britse ouders vestigen zich in 1922 in Antwerpen.

Debuteert met het magisch realisme en evolueert (vanaf 1948) naar abstracte materieschilderkunst en, na 1966, naar een persoonlijke neofiguratieve kunst.

Hij volgt een opleiding aan het Hoger Instituut te Antwerpen (1934 -39, G. van de Woestyne en I. Opsomer) en debuteert in 1942 in Antwerpen.

Zijn kunst wordt door de Duitsers als ‘entartete Kunst’ beschouwd en hij wordt tijdens een tentoonstelling in 1943 in Brussel gearresteerd.

Neemt deel aan de tentoonstellingen van Apport (1944 – 1948).

Vestigt zich in 1944 in Brussel. Mendelson is medestichter en ontwerper van het logo van La Jeune Peinture Belge (1945) en deelnemer aan de tentoonstellingen van deze vereniging.

Medeoprichter van Espace (1952). Ondervoorzitter van Les Amis de l’Art en organisator van evenementen rond moderne kunst.

Hij is de maker van de muurschilderingen in het Casino van Oostende (1952).

Hij werkt als leraar zeefdruk aan Ter Kameren (1951 – 1980) en is lid van de Koninklijke Academie (1965).

Hij vervaardigt muraal paneel Happy Metro to you in het metrostation Park in Brussel (1974).

Zijn werk is in talrijke musea vertegenwoordigd, o.m. in Antwerpen, Brussel, Elsene, Gent, Stockholm, New York (Guggenheim) en Pittsburgh (Carnegie).

50 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse kunstschilder Marc Mendelson
50 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse kunstschilder Marc Mendelson
50 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse kunstschilder Marc Mendelson

40 jaar geleden, de Gentse schilder Jean Verame spuit de woestijn blauw (De Post 7 februari 1981)

40 jaar geleden, de Gentse schilder Jean Verame spuit de woestijn blauw (De Post 7 februari 1981)
40 jaar geleden, de Gentse schilder Jean Verame spuit de woestijn blauw (De Post 7 februari 1981)
40 jaar geleden, de Gentse schilder Jean Verame spuit de woestijn blauw (De Post 7 februari 1981)
40 jaar geleden, de Gentse schilder Jean Verame spuit de woestijn blauw (De Post 7 februari 1981)

30 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse stripauteur, kunstschilder en illustrator Jan Bosschaert.

Op 16-jarige leeftijd verscheen er al een publicatie van Bosschaert in het stripblad Robbedoes. Vervolgens studeerde hij Vrije Grafiek aan het Sint-Lucasinstituut in Brussel.

Zijn eerste stripverhaal Icarus kwam uit in 1981. In 1983 verscheen Pest in ’t Paleis, een persiflage op de Belgische politiek, naar een scenario van Humo-journalist Guido Van Meir.

In 1998 tekende hij voor Urbanus het eerste album van een nieuwe stripreeks: De Geverniste Vernepelingskes.

In 2012 stopte hij tijdelijk met de reeks om zich meer bezig te houden met andere projecten.

Ander bekend werk van Bosschaert zijn de reeksen Sam en Jaguar.

Naast zijn stripverhalen is Jan Bosschaert bekend als kunstschilder en als illustrator. Dit laatste doet hij eerst en vooral voor de VRT, nadien voor een grote hoeveelheid uitgeverijen (onder andere Averbode, Uitgeverij Lannoo …), tijdschriften (Panorama) en schrijvers (onder anderen Marc de Bel, Katie Velghe). Ook enkele platenhoezen (onder anderen voor Pitti Polak, Plastic Bertrand, The Paranoiacs) en affiches (Saint-Amour) van zijn hand zijn verschenen.

Ter gelegenheid van 70 jaar Suske en Wiske tekende hij het stripverhaal De verwoede verzamelaar geschreven door Jan Verheyen.(Diverse bronnen, Wikipedia en De Post 11 januari 1991)

30 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse stripauteur, kunstschilder en illustrator Jan Bosschaert.