Vanaf vandaag 60 jaar geleden, de Duitse film Der Vogelhändler (The Bird Seller) met in de hoofdrol Conny Froboess en Peter Weck te zien in de Vlaamse bioscoop

Vanaf vandaag 60 jaar geleden, de Duitse film Der Vogelhändler (The Bird Seller) met in de hoofdrol Conny Froboess en Peter Weck te zien in de Vlaamse bioscoop
Vanaf vandaag 60 jaar geleden, de Duitse film Der Vogelhändler (The Bird Seller) met in de hoofdrol Conny Froboess en Peter Weck te zien in de Vlaamse bioscoop

Vanaf vandaag 60 jaar geleden, de Duitse film Der Vogelhändler (The Bird Seller) met in de hoofdrol Conny Froboess en Peter Weck te zien in de Vlaamse bioscoop

Vandaag is ook het al twintig jaar geleden dat de Gentse auteur Paul Berkenman is overleden.

Deze naam is eigenlijk een pseudoniem voor Roger Thienpondt.

Thienpondt was een Gentse dichter en toneel auteur geboren in 1926.

Hij werd geboren in de Korianderstraat.

Na zijn middelbare studies aan de handelsafdeling van de Nijverheidsschool in Gent werd hij in 1946 opsteller bij de Nationale Bank van België.

In 1965 kwam hij in dienst van het Nederlands Toneel Gent (NTG), eerst als secretaris, in 1967 als chef administratie en in 1973 als verantwoordelijke voor de public relations.

In 1979 werd hij dramaturg bij Theater Arena en in 1985 werkte hij bij de musicalafdeling van het Koninklijk Ballet van Vlaanderen.

Vanaf 1986 was hij freelance dramaturg en vertaler.

Hij schreef onder andere de succesvolle gedichtenbundel Orfeus achterna in 1949.

Voor dit werk kreeg hij de prijs voor letterkunde van de Stad Gent. Naast dichter was hij actief in het Vlaamse toneel.

Dankzij het Gentse productiehuis Cinébel, opgericht in 1958

Kon Berkenman die een grote passie had voor film.

Aan de slag gaan en dit leidde tot enkele filmprojecten, waar Want allen hebben gezondigd een voorbeeld van is.

Berkenman werkte voor deze film voor de tweede keer samen met de dramaturg Raymond Cogen.

In deze film speelde onder meer Jef Demedts, Hilde Uytterlinden, Suzanne Juchtmans en Raf Reymen.

Hun eerste langspeelfilm was Prelude tot de dageraad, een romantische film die werd uitgebracht in 1959.

Met hun tweede film wouden Berkenman en Cogen de onzin van de oorlog aanklagen.

Hoewel het thema van de Jodenvervolging het uitgangspunt is van het verhaal, zei Cogen dat dit thema slechts de achtergrond is van een klassiek noodlotsverhaal.

Het doel van beide filmmakers was met andere woorden niet een film te maken over de Jodenvervolging in België, maar dit thema was het best geschikt als achtergrond voor wat ze wel wouden vertellen.

De structuur van de film Want allen hebben gezondigd bestaat uit flashbacks van een Joodse vertelster, die tussen de stukken door mijmert over Wereldoorlog II.

Het voornaamste motief in de film is de schuldvraag, die al beantwoord wordt in de titel: Want allen hebben gezondigd. Berkenman en Cogen tonen aan de kijker een meer complexe schuldvraag dan wat ze gewoon zijn uit andere films.

Waar tot dan toe alles zwart-wit werd voorgesteld, een patriottisch volk tegenover een agressieve bezetter, is er in deze film veel meer aandacht voor de grijswaarden.

Zo is de ‘zwarte’ Von Lehndorf helemaal niet zo overtuigend als ‘vijand’, is de notaris ‘schuldig’ omdat hij ver gaat in zijn accommodatie en is de verzetsheld helemaal niet heroïsch wanneer hij totaal overbodig een medemens vermoordt.

De periodisering van de film is moeilijk te bepalen. Aangezien de jodenvervolging aan bod komt, kunnen we stellen dat het na 1942 is, aangezien dan pas de vervolgingen in België op gang kwamen.

In Want allen hebben gezondigd zien we een heel andere beeldvorming van de Duitsers en het verzet dan in de films van de Franstalige filmmakers. In de plaats van een verheerlijking van het verzet, zien we een nuancering van hun vermeende heldhaftigheid.

Ook de mythe dat de Duitse bezetters allemaal onmenselijke nazi’s waren, wordt in deze film ontkracht.

Op het eerste zicht is deze film een aanklacht tegen de oorlog en het racisme tegenover de Joden.

Maar als we de film plaatsen in de Belgische maatschappelijke context van een gespleten oorlogsherinnering, krijgt de film nog een tweede betekenis.

De film roept namelijk impliciet op om de harde beschuldigingen tegenover collaboratie her te bekijken.

Zo kan Von Lehndorf vergeleken worden met een collaborateur: hij staat weliswaar aan de Duitse kant, maar gaat daarom nog niet akkoord met de nationaal-socialistische theorieën.

De notaris kan op zijn beurt gezien worden als een symbool voor de accommodatiepolitiek van de Belgische elite en ook hen treft schuld.

De moord op Von Lehndorff ten slotte kan gelezen worden als symbool voor de wraakacties van het verzet op collaborateurs of de onrechtvaardige repressie.

Waarom in deze film collaboratie en repressie, thema’s die toch nog steeds actueel waren in Vlaanderen, niet expliciet voorkomen, kan verklaard worden door het feit dat er op deze zaken nog steeds een taboe rustte.

De tijd was nog niet rijp voor een film over dit thema. De vraag is echter of Vlaanderen er nu al klaar voor is in 2022.

In 1990 werd hem voor zijn oeuvre als dichter en toneelauteur en voor de belangrijke rol die hij speelde in de promotie van het theater de Frans Roggenprijs toegekend. (Ons Land 19 november 1960, scriptie Voor vorst, voor waarheid of voor kijkcijfers, Beeldvorming van Wereldoorlog II in de Belgische film van Maaike Van Melckebeke en Dirk de Wulf.)

de Gentse film Want alles hebben gezondigd (Ons land december 1960)

Vandaag 135 jaar geleden, de geboorte van de Gentse schrijver Raymundus Joannes de Kremer of Raymond Jean de Kremer, die onder de pseudoniemen Jean Ray en John Flanders honderden fantastische verhalen publiceerde (8 juli 1887)

Jean Ray werd geboren in een herenhuis in de Gentse Ham en in juli 1895 verhuisden zijn ouders naar de Sint-Jansdreef.

In februari 1912, na zijn huwelijk met de revueactrice Virginie Bal (Nini Balta), vestigde hij zich in de Zondernaamstraat en vanaf oktober 1913 woonde hij in de Baudelostraat.

In juni 1917 in de Wolfstege en vanaf juli 1924 opnieuw in de Baudelostraat.

Vanaf juli 1926 aan de Albertkaai (thans Gordunakaai); nadat hij in oktober 1930 zijn vrouw verliet, betrok hij een appartement in de Normaalschoolstraat.

Vanaf november 1934 treffen we hem aan in de Sint-Jansdreef en vanaf juli 1937 woonde hij in de Borluutstraat (nu Belfortstraat.

Vanaf september 1939 in de Prinses Clementinalaan, in juli 1952 verhuisde hij naar de Tentoonstellingslaan en in december 1954 trok hij in bij zijn dochter aan de Rooigemlaan.

Hij kreeg lager onderwijs in het Laurentinstituut (Onderstraat).

Vanaf oktober 1901 was hij op internaat in Pecq bij Doornik.

In 1903 en 1904 volgde hij het derde jaar moderne humaniora aan het Koninklijk Atheneum in Gent (Ottogracht).

Uit die tijd stammen zijn eerste pennenvruchten in het studentenblad De Goedendag.

De twee schooljaren daarop studeerde (en mislukte) hij aan de Gentse Rijksnormaalschool, in de Ledeganckstraat. In de Almanak van ’t Zal Wel Gaan (1907-1908) verschenen enige gedichten van zijn hand.

Van 15 juli 1910 tot eind april 1919 was hij klerk bij het Gentse stadsbestuur.

Een voorbeeldige ambtenaar was hij blijkbaar niet.

In 1912 was er zelfs een duistere affaire met het uitgeven van wissels.

Hij bleef enkel in dienst dank zij politieke bescherming.

Inmiddels debuteerde hij in 1911 – als Jean Ray – met Franstalige coupletten voor de revue Ze zijn daar, op liberetto van R. Schmidt en Henri van Daele.

Met laatstgenoemde, “keizer” van het Gentse volkstoneel, werkte hij later nog regelmatig samen en onderhield hij een levenslange vriendschap.

Na de Eerste Wereldoorlog vestigde hij zich als zelfstandig wisselagent.

In die periode was hij op het toppunt van zijn literaire roem.

Begin 1925 verscheen zijn eerste verhalenbundel, Les Contes du Whisky.

Duistere praktijken met leningen leverden hem in januari 1927 een veroordeling tot een gevangenisstraf van 6 jaar en 6 maanden op.

Wegens voorbeeldig gedrag (in de Nieuwe Wandeling) kwam hij al vrij in februari 1929.

Ondertussen was hij broodschrijver geworden.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog verschenen zijn verhalenbundels Le Grand Nocturne (1942), Les Cercles de l’épouvante (1943), Cité de l’indicible peur (1943), Malpertuis (1943, geïnspireerd door het Gent van Jules de Bruycker) en de raamvertelling Derniers contes de Canterbury (1943) – allemaal voor volwassenen, allemaal met een soms zeer hoog “Gent-gehalte”.

Na de Tweede Wereldoorlog sleet hij, als John Flanders, jeugdverhalen bij uitgeverij Averbode en werkte hij mee aan verschillende tijdschriften (’t Kapoentje, Ons Volkske, Zonneland…).

Tegelijkertijd publiceerde hij, als Jean Ray, tal van verhalen voor volwassenen.

Op het einde van zijn leven kende hij een late glansperiode toen uitgeverij Gérard zijn Les 25 meilleures histoires noires et fantastiques (1961) op de markt bracht.

Twee jaar later werd hem de enige prijs toegekend die hem bij leven te beurt viel: de Franse Prix des Bouquinistes.

Op 17 september 1964 werd een hartaandoening hem fataal. Hij werd begraven op de Westerbegraafplaats (graf F 4-8).

Niettegenstaande honderden van zijn verhalen zich afspelen in allerhande exotische oorden, ademt gans zijn oeuvre de sfeer van het Gent van zijn jeugd.

Ook wanneer hij zijn verhalen in het mistige Londen situeert, baseert hij zich duidelijk op het Gent dat hij zo liefhad.

Bovendien schreef hij tal van columns over “zijn” Gent in de rubriek Dat was een tijd! van de krant Het Volk; ze werden in 1996 gebundeld uitgegeven.

Vanaf 1934 schreef hij reportages, cursiefjes en Gents nieuws in De Dag, meestal over Gentse volkswijken.

Befaamd is zijn La Main de Goetz von Berlichingen (1951), waarin “Oom Kwansuys” opduikt die zich het liefst omringde met vrienden die hem veel aandacht gaven en in “stomme bewondering voor zijn redevoeringen” stonden.

Deze oom was niemand minder dan Edward (“Eedje”) Anseele (zijn echte oom langs moederszijde) die ook een belangrijke rol kreeg toebedeeld in de roman Malpertuis, het “vervloekte huis van de hel”.

Met Malpertuis werd klaarblijkelijk Feestlokaal van de Vooruit in de Sint-Pietersnieuwstraat bedoeld dat werd gebouwd in 1913, onder impuls van oom Anseele.

De Anseeles waren weinig opgezet met dit boek: in de personages herkenden zij immers veel van hun eigen kleinburgerlijkheid.

De roman werd in 1972 in het Nederlands vertaald door Hubert Lampo én in 1972 verfilmd door Harry Kümel, met Orson Welles in de hoofdrol.(Diverse bronnen, Geert Vandamme en Ons Land 14 juli 1962)

Vandaag 135 jaar geleden, de geboorte van de Gentse schrijver Raymundus Joannes de Kremer of Raymond Jean de Kremer, die onder de pseudoniemen Jean Ray en John Flanders honderden fantastische verhalen publiceerde (8 juli 1887)

Vandaag 135 jaar geleden, de geboorte van de Gentse schrijver Raymundus Joannes de Kremer of Raymond Jean de Kremer, die onder de pseudoniemen Jean Ray en John Flanders honderden fantastische verhalen publiceerde (8 juli 1887)

60 jaar geleden, te gast bij ex-koningin Victoria Eugénie van Spanje in Lausanne in Zwitserland (juni 1962)

Prinses Victoria Eugénie werd geboren in Balmoral Castle als het tweede kind en enige dochter van prins Hendrik van Battenberg en zijn vrouw prinses Beatrice, de jongste dochter van koningin Victoria van het Verenigd Koninkrijk en prins-gemaal Albert van Saksen-Coburg en Gotha.

De prinses was in haar familie bekend onder de naam ‘Ena’. Omdat haar ouders bij koningin Victoria woonden, groeide Victoria Eugénie op aan het Britse Hof op Windsor Castle, Balmoral Castle en Osborne House op het Isle of Wight.

Toen de prinses negen jaar oud was, stierf haar vader en verhuisde ze met haar moeder. Ze woonden afwisselend in het Osborne House en Kensington Palace.

In 1905 was Victoria Eugénie aanwezig op een diner, dat door haar oom koning Eduard VII gegeven werd ter ere van koning Alfons XIII van Spanje.

Victoria Eugénie en Alfons werden verliefd op elkaar, maar velen zagen een huwelijk tussen de twee niet zitten.

Vooral Alfons’ moeder Maria Christina protesteerde tegen een huwelijk. Zij vond dat de afkomst van de prinses niet goed genoeg was om tot de hoge adel van Spanje toe te treden (Victoria Eugénie had slechts de aanspreektitel ‘Haar Doorluchtige Hoogheid’ en was een afstammeling uit een morganatisch huwelijk binnen het groot-hertogelijke huis Hessen.

Bovendien waren veel leden van haar familie, als afstammelingen van Victoria van het Verenigd Koninkrijk, waaronder haar broers Leopold en Maurits, dragers van de erfelijke bloedziekte hemofilie.

Toch werd op 9 maart 1906 hun verloving aangekondigd.

Er was veel protest onder het volk, vooral omdat ze protestants en van lage afkomst was.

Daarom bekeerde Victoria Eugénie zich tot de Rooms-Katholieke Kerk, waarbij ze de naam Maria Christina kreeg.

Ook gaf haar oom Eduard VII haar op 3 april de aanspreektitel ‘Hare Koninklijke Hoogheid’.

Op 31 mei 1906 trouwden in Madrid Victoria Eugénie en Alfons, waardoor de prinses koningin Victoria Eugénie (informeel: koningin Ena) werd.

Toen het paar na de trouwerij in een koets terugreed naar het Koninklijk Paleis, vond er een aanslag plaats op de koning en nieuwe koningin: iemand gooide vanaf een balkon een bom naar de koets. Koningin Ena overleefde het omdat ze het op het moment van de aanslag haar hoofd de andere kant op had gedraaid om de kerk van de Heilige Maria te zien.

Vanwege de aanslag werd Ena nog meer afgezonderd van het Spaanse volk dan ze al was, waardoor ze zich niet populair maakte.

Op 10 mei 1907 werd het eerste kind geboren: Prins Alfons, erfgenaam van de Spaanse troon. Tijdens zijn niet-noodzakelijke, maar door zijn moeder gewenste besnijdenis stopte hij niet met bloeden, waaruit de artsen opmaakten dat hij hemofilie van zijn moeder had geërfd, iets wat koning Alfons zijn vrouw nooit heeft kunnen vergeven.

Na prins Alfons kreeg het paar nog zes kinderen, van wie ook de jongste zoon aan hemofilie leed.

Hun kinderen waren:

Alfons (1907-1938), trouwde twee keer, stierf bij een auto-ongeluk

Jaime (1908-1975), trouwde twee keer, was doofstom

Beatrix (1909-2002)), trouwde met prins Alessandro Torlonia

Fernando (doodgeboren in 1910)

Maria Christina (1911-1996), trouwde met graaf Enrico Marone

Juan (1913-1993), trouwde met prinses Maria de las Mercedes van Bourbon Gonzalo (1914-1934), leed ook aan hemofilie, stierf bij een auto-ongeluk

Na de geboorte van de kinderen ging het bergafwaarts met de relatie van de koning en koningin.

Alfons had veel affaires, zelfs met prinses Beatrice, een nicht van koningin Ena en dochter van Alfred van Saksen-Coburg en Gotha en echtgenote van zijn eigen neef Alfons van Orléans-Bourbon.

Door zijn affaires had koning Alfons een aantal buitenechtelijke kinderen.

In 1923 ontsloeg koning Alfons de regering en ging op voorstel van generaal Miguel Primo de Rivera met behulp van het leger regeren.

Toen hij Rivera later ook nog ‘mijn Mussolini’ noemde, werden er veel samenzweringen tegen de koning ontmaskerd en kwamen er protesten tegen de monarchie.

De koning werd gedwongen gemeenteraadsverkiezingen toe te staan, waarin de republikeinen overweldigend wonnen.

Het volk ging de straat op en eiste zijn aftreden, waarna de Spaanse koninklijke familie op 14 april 1931 in verbanning ging.

De familie vestigde zich in Frankrijk en later in Italië.

Koningin Ena en koning Alfons gingen uit elkaar, waarna zij deels in Engeland en Zwitserland en uiteindelijk voor vast in Zwitserland ging wonen.

Toen Alfons voelde dat zijn einde naderde, stond hij op 15 januari 1941 zijn rechten op de Spaanse troon af aan zijn zoon Juan de Bourbon, graaf van Barcelona.

Op 12 februari kreeg Alfons zijn eerste hartaanval; hij stierf op 28 februari.

Koningin Ena stierf op 15 april 1969 in Lausanne, Zwitserland, precies 38 jaar na haar verbanning uit Spanje.

Ze werd begraven in de plaatselijke kerk, maar haar lichaam werd op 25 april 1985 bijgezet in de Koninklijke Grafkelder in Madrid bij haar echtgenoot en twee zonen.

Ondanks de verbanning was het niet gedaan met de Spaanse monarchie: haar kleinzoon Juan Carlos, zoon van Juan de Bourbon, was van 1975 tot 2014 koning van Spanje.

Ze was de doopmeter van koningin Fabiola.(Diverse bronnen, Wikipedia en Ons Land 30 juni 1962)

60 jaar geleden, te gast bij de laatste koningin Victoria Eugénie van Battenberg van Spanje in Lausanne in Zwitserland (Ons Land 30 juni 1962)

60 jaar geleden, te gast bij de laatste koningin Victoria Eugénie van Battenberg van Spanje in Lausanne in Zwitserland (Ons Land 30 juni 1962)
60 jaar geleden, te gast bij de laatste koningin Victoria Eugénie van Battenberg van Spanje in Lausanne in Zwitserland (Ons Land 30 juni 1962)

60 jaar geleden, te gast bij Kardinaal Suenens met de vraag wat is de betekenis van Kardinaal (Ons Land 31 maart 1962)

60 jaar geleden, te gast bij Kardinaal Suenens met de vraag wat is de betekenis van Kardinaal (Ons Land 31 maart 1962)
60 jaar geleden, te gast bij Kardinaal Suenens met de vraag wat is de betekenis van Kardinaal (Ons Land 31 maart 1962
60 jaar geleden, te gast bij Kardinaal Suenens met de vraag wat is de betekenis van Kardinaal (Ons Land 31 maart 1962

De Amerikaanse negersoldaat Robert D’Hue werd kunstschilder in ons land (Ons Land 10 maart 1962)

D’Hue werd in 1917 geboren in Cleveland, Ohio.

Hij was portretschilder en landschapsarchitect.

Hij diende in het leger tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Hij was een student aan de Yale School of Fine Art en hij studeerde ook aan de Académie Royale des Beaux-Arts in Luik.

In 1954 studeerde hij af en dit met de nodige onderscheidingen.

In Luik leerde hij zijn vrouw kennen en samen kregen ze twee kinderen.

Namelijk dochter Sandra Gonda (geboren in 1960) en zoon Gary D’Hue (geboren 1962)

Het jonge gezin woonde toen in de Rue de la Cathédrale 88 in Luik.

Hij bouwde een vriendschap op met de Vlaamse toneelschrijver Tone Brulin. Daardoor kreeg hij ook opdrachten om decors en enkele generieken te ontwerpen voor Vlaamse Tv.

Werken van hem zijn te zien in het Museum van Luik, België.

Na enkele jaren te verblijven in ons land ging hij terug naar Californië waar hij werkte als kunstpedagoog en docent.

Hij kwam te overlijden op 20 januari 2007.(Diverse bronnen en Ons Land 10 maart 1962)

De Amerikaanse negersoldaat Robert D’Hue werd kunstschilder in ons land (Ons Land 10 maart 1962)
De Amerikaanse negersoldaat Robert D’Hue werd kunstschilder in ons land (Ons Land 10 maart 1962)

60 jaar geleden, de Vlaamse Tv-reeks Schipper naast Mathilde nu ook te zien op het podium in de Vlaamse theaterzalen (maart 1962)

60 jaar geleden, de Vlaamse Tv-reeks Schipper naast Mathilde nu ook te zien op het podium in de Vlaamse theaterzalen (maart 1962)
60 jaar geleden, de Vlaamse Tv-reeks Schipper naast Mathilde nu ook te zien op het podium in de Vlaamse theaterzalen (maart 1962)
60 jaar geleden, de Vlaamse Tv-reeks Schipper naast Mathilde nu ook te zien op het podium in de Vlaamse theaterzalen (maart 1962)
60 jaar geleden, de Vlaamse Tv-reeks Schipper naast Mathilde nu ook te zien op het podium in de Vlaamse theaterzalen (maart 1962)