60 jaar geleden, te gast bij de Belgisch scenarioschrijver Charles Spaak en zijn gezin (De Post 11 juni 1961)

Spaak groeide op in Brussel als zoon van Paul Spaak die advocaat, dichter en toneelschrijver was en Marie Janson, de eerste vrouwelijke senator.

De politicus Paul-Henri Spaak was zijn broer.

De politica Antoinette Spaak was zijn nicht.

Zijn tweede vrouw Claudie Clèves , pseudoniem van Alice Perrier was voor een korte periode werkzaam als filmactrice en later in de jaren dertig werkte ze als scenarioschrijfster.

Het koppel kreeg twee dochters, namelijk de actrices Agnès en Catherine Spaak

In 1928 trok hij naar Frankrijk en werkte er eerst samen met zijn landgenoot, de filmregisseur Jacques Feyder, aan diens laatste stomme film, de korte film Les Nouveaux Messieurs (1929).

Vanaf de jaren dertig schoot zijn carrière echt uit de startblokken met het schrijven van de scenario’s en de dialogen van een hele reeks klassiek geworden films.

Jean Grémillon, Georges Lacombe en Jean Renoir deden meermaals een beroep op zijn schrijftalent.

Vooral met Jacques Feyder en Julien Duvivier vormde hij een echte tandem.

Met Feyder schreef hij het scenario voor onder meer de drama’s Le Grand Jeu (1934) en Pension Mimosas (1934), en de satire La Kermesse héroïque (1935).

Met Duvivier werkte hij samen aan onder meer de drama’s La Bandera (1935), La Belle Equipe (1936) en La Fin du jour (1939). De bekendste film waaraan hij heeft meegewerkt is het Eerste Wereldoorlog drama La Grande Illusion (1937) van Jean Renoir.

Vanaf de jaren veertig stelde hij zich ook in dienst van opkomende cineasten zoals Christian-Jaque, Georges Lampin en André Cayatte.

Hij werkte ook regelmatig samen met zijn landgenoot, de scenarist en filmregisseur Albert Valentin.

Ze kenden elkaar uit de tijd dat ze samen sleutelden aan scenario’s voor films van Grémillon.

Spaak werkte de scenario’s uit voor de eerste films die Valentin alleen regisseerde, waaronder de bittere tragikomedie La Vie de plaisir (1943).

In 1943 was Spaak lid van Die Rote Kapelle, een verzetsbeweging tegen de nazi’s.

In 1948 regisseerde hij Le Mystère Barton, zijn enige film. De film behaalde weinig succes.

In het pakkende gerechtsdrama Justice est faite (1950) toonde Spaak samen met coscenarist Cayatte overtuigend aan dat het rechtssysteem helemaal niet onfeilbaar was.

De film werd zowel met de Gouden Leeuw (1950) als de Gouden Beer (1951) onderscheiden.

In 1952 schreef hij het scenario voor de enige fictiefilm van zijn landgenoot Henri Storck, het komisch-avontuurlijke Le Banquet des fraudeurs.

In 1954 leende hij zijn talent aan het drama Le Grand jeu, Robert Siodmaks remake van Feyders meesterwerk van het poëtisch realisme Le Grand Jeu (1934).

Met regisseur Duvivier, met wie hij vroeger zeven keer een vaste tandem had gevormd, werkte hij een laatste keer samen voor de thriller La Chambre ardente (1962).

Met de opkomst van de Nouvelle Vague op het einde van de jaren vijftig werd Spaak minder en minder gevraagd en bloedde zijn carrière langzamerhand dood.

In het totaal werkte hij mee aan een negentigtal films waaronder verscheidene meesterwerken.

Charles Spaak overleed in 1975 op 71-jarige leeftijd in Nice.

Zijn dochter Catherine was nog geen vijftien jaar toen ze in 1960 debuteerde in het ontsnappingsdrama Le Trou, de laatste film van Jacques Becker.

Vlug daarna ging ze in Italië meespelen in komedies.

Eerst gedroeg ze zich als een Italiaanse Lolita in I dolci inganni (Alberto Lattuada, 1960).

Een jaar later vestigden drie films haar naam. La voglia matta (Luciano Salce, 1962) ondervond problemen met de censuur, maar lanceerde wel haar Italiaanse carrière.

In 1962 volgde de commedia all’ italiana-cultfilm Il sorpasso (Dino Risi) en in 1963 het op de gelijknamige roman van Alberto Moravia gebaseerde drama La noia (Damiano Damiani).

Ze zette telkens het personage van de vrijgevochten, schaamteloze en frivole meid neer.

Het zou haar handelsmerk worden en blijven gedurende de ganse jaren zestig, het toppunt van haar filmcarrière.

In 1964 kwam ze nog even terug naar Frankrijk om er mee te spelen in de remake van La Ronde (Roger Vadim) waarin ze weer een speelse en uitdagende jonge vrouw gestalte gaf.

Ze werkte toen ook mee aan het oorlogsdrama Week-end à Zuydcoote (Henri Verneuil).

Daarna was ze nog bijna uitsluitend in Italiaanse, vaak sentimentele komedies te zien.

Zo kreeg ze alle grote Italiaanse acteurs van toen als tegenspeler, zoals Vittorio Gassman, Ugo Tognazzi, Marcello Mastroianni, Alberto Sordi en Nino Manfredi.

Ze was achtereenvolgens gehuwd met de acteur Fabrizio Capucci (1963-1971) en met de zanger en acteur Johnny Dorelli (1972-1979).

Zijn andere dochter Agnès Spaak was actrice vanaf 1963 tot en met 1974.

In 1975 verhuisde ze naar Milaan waar ze begon te werken als fotograaf voor modebedrijven en bij uitgeverij Edilio Rusconi , waarmee ze jarenlang samenwerkte.

Ze verhuisde toen naar Hachette .

Ze werkte ook voor filmproductiebedrijven Twentieth Century Fox en Titanus .

Op 20 mei 1967 trouwde ze in Nice met de Romeinse regisseur Pietro Sciumé.

60 jaar geleden, te gast bij de Belgisch scenarioschrijver Charles Spaak en zijn gezin (De Post 11 juni 1961)
60 jaar geleden, te gast bij de Belgisch scenarioschrijver Charles Spaak en zijn gezin (De Post 11 juni 1961)
60 jaar geleden, te gast bij de Belgisch scenarioschrijver Charles Spaak en zijn gezin (De Post 11 juni 1961)
60 jaar geleden, te gast bij de Belgisch scenarioschrijver Charles Spaak en zijn gezin (De Post 11 juni 1961)

Vandaag 60 jaar geleden, huwelijk van prinses Birgitta van Zweden met prins en kunsthistoricus Johann Georg van Hohenzollern.

Prinses Birgitta werd geboren als tweede dochter van de toenmalige erfprins van Zweden, Gustaaf Adolf en zijn echtgenote prinses Sybilla van Saksen-Coburg en Gotha.

Het huwelijk gebeurde in het koninklijk paleis te Stockholm op 25 mei 1961. De kerkelijke inzegening vond plaats in de kapel van slot Sigmaringen in Duitsland op 30 mei 1961.

Johann Georg van Hohenzollern was het zesde kind en de derde zoon van Frederik van Hohenzollern en Margaretha Carola van Saksen, een dochter van de laatste koning der Saksen, Frederik August III.

Hij studeerde kunstgeschiedenis en archeologie in Parijs, Freiburg im Breisgau en München.

Hij promoveerde in 1966 en trad in datzelfde jaar in dienst bij de Bayerischen Staatsgemäldesammlungen.

In 1986 werd hij directeur van het Bayerisches Nationalmuseum.

Hij keerde in 1991 terug bij de Staatsgemäldesammlungen, waar hij de drijvende kracht was achter de oprichting van de Pinakothek der Moderne.

Vanaf 1998 was hij directeur Kunsthalle der Hypo-Kulturstiftung en dit tot aan zijn pensioen in 2006.

Birgitta en Johan Georg hebben drie kinderen:

Carl Christian van Hohenzollern-Sigmaringen (5 april 1962),

Nicole Neschitsch Désirée van Hohenzollern-Sigmaringen (27 november 1963),

HalbachHubertus van Hohenzollern-Sigmaringen (10 juni 1969)

Sinds 1990 leefden Birgitta en Johann Georg gescheiden van tafel en bed.

Johann Georg van Hohenzollern kwam te overlijden op 2 maart 2016 in München.