50 jaar geleden, te gast bij de sekte van het insect.

De kern van de Insektensekte werd gevormd door tandarts/kunstenaar Max Reneman, musicus Hub Mathijsen en kunstenaar Theo Kley, met Cor Jaring als ‘huisfotograaf’.

Zij vonden elkaar in dat ‘magisch centrum’ Amsterdam, waar zij allerlei ludieke, gekke en vaak ook onuitvoerbare projecten bedachten.

In 1968 vormden Kley, Reneman en Mathijsen al het ‘Exoties Kietsj Konservaatoriejum’: een theatraal muzikaal gezelschap dat voortdurend van samenstelling wisselde (iedereen die zelf zijn instrument maakte en bespeelde was welkom).

De groep maakte zich zorgen over de manier waarop met het milieu werd omgegaan.

De milieubeweging kreeg in de jaren 1960 een belangrijke impuls met het verschijnen een boek als Silent Spring van Rachel Carson, waarin de auteur de alarmklok luidde over het gebruik van pesticiden, die ze omschreef als ‘de regen van dood’.

Als reactie op vervuiling en verspilling recycleden de leden onder meer fietsen die ze op de schroothoop vonden.

In februari 1969 werd op de Waddenzee illegaal stookolie geloosd, waarbij veel vogels onder de olie kwamen te zitten.

Als reactie op deze ramp richtten Kley, Mathijsen en Reneman de Insektensekte op, een van de eerste milieubewegingen van Nederland.

Vanaf dat moment sloeg de Insektensekte alarm bij natuurrampen door een vlag met daarop een gouden vlinder halfstok uit het raam te hangen.

De groep had een flink aantal ‘gouden’ vlinders gevonden op de Albert Cuypmarkt.

Vanaf dat moment fungeerde die vlinder als symbool van de Insektensekte.

Ook John Lennon & Yoko Ono kregen een exemplaar tijdens hun beroemde bed-in in het Hilton Hotel in 1969, waar het Exotisch Kietsj Konservaatoriejum hun toezong.

Lennon en Ono werden daarbij tot erelid van de Insektensekte benoemd.

Het Eksooties Kietsj Konservaatoriejum speelde niet alleen in het Hilton voor John & Yoko maar bijvoorbeeld ook bij de opening van de IJtunnel in 1968 en tijdens de tentoonstelling van Daniel Spoerri in het Stedelijk Museum in 1971.

Hub Mathijsen speelde daarbij op de zogenaamde violofoon (een viool zonder de houten klankkast, waarbij het geluid wordt versterkt door een hoorn).

De Insektensekte voerde ook regelmatig performances op die te maken hadden met milieuvervuiling.

Zo werd onder muzikale leiding van Hub Mathijsen in 1969 de ‘Vlinderopera’ opgevoerd, waarin onder andere het lied ‘Moeder waar zijn de vlinders gebleven’ wordt gezongen.

Naast het Exoties Kietsj Konservaatoriejum en de Insektensekte waren Kley, Reneman en Mathijsen in 1970 de oprichters van het ‘Deskundologisch Laboratorium’, samen met onder andere Robert Jasper Grootveld, waarin hun activiteiten samen kwamen.

Het laboratorium maakte studie van het doodgewone: ‘Als je je onderzoek uitsluitend op de problemen richt, zie je de dingen die als een paal boven water staan over het hoofd. Deskundologen spreken in heldere taal over simpele zaken.

Deskundologie is dat wat iedereen met zijn klompen aan kan voelen, en dat niemand boven de pet gaat.’

Het Deskundologisch Laboratorium kende diverse afdelingen, waaronder ‘Milieuverveling’, ‘Sonologie’ en ‘Immuun Blauw’ bijvoorbeeld.

De deskundologie was een ambulante wetenschap, en op hun tochten kleurden de deskundologen zichzelf en de omgeving vaak met het ‘Immuun blauw’, een vrolijke variant op het zakje blauw, destijds de witmaker van wasgoed.

De groep had geen vastomlijnd programma, eigenlijk werd er niets van tevoren afgesproken. Of, zoals Theo Kley mij vertelde, ‘iedereen deed maar wat’.

Ze troffen elkaar in de stad en bedachten dan ter plekke een plan. Of ze gingen er samen op uit met een auto vol attributen en schmink.

Hun doel was wel degelijk serieus, maar de middelen moesten speels zijn, en vooral niet burgerlijk.’Het ging ons om de verwondering’, aldus Kley. (Suzanna Héman, De Post 2 mei 1971 en diverse bronnen)