Vandaag 106 jaar geleden, bezetten de Duitse troepen Gent.

Op 12 oktober 1914 arriveren Duitse troepen in Gent.Als hoofdplaats van het Vierde Etappegebied, een militaire zone die West- en Oost-Vlaanderen en een stukje Henegouwen omvat, staat de stad onder direct militair bestuur, wat betekent dat de bezetting er nog harder is dan in de rest van het land.

Ieder contact met de rest van België is nagenoeg onmogelijk.

Pers en post worden streng gecensureerd, politieke berichtgeving is verboden.

Het dagelijks leven wordt beheerst door voortdurende opeisingen. In het stadscentrum nemen de Duitsers een toenemend aantal gebouwen in beslag, te beginnen met alle kazernes.

De Kouter fungeert als de centrale uitvalsbasis met o.a. de Kommandantur en de Pass-Zentrale.Wapens worden bewaard en hersteld in het Gravensteen, bier en wijn gestockeerd in het Groot Vleeshuis en groenten in het Pand.

Soldaten revalideren in hotels, scholen en in het Casino aan de Coupure.

Het Belfort doet dienst als uitkijkpost voor piloten.

Het wagenpark van het leger wordt ondergebracht in loodsen in de haven.

Met ca. 12.000 militairen is het leger zeer zichtbaar aanwezig.Duitse vlaggen wapperen aan gevels, aan muren en bomen hangt Duitse bewegwijzering en cafés krijgen Duitse namen.

Het station Gent Sint-Pieters is het centrale spoorwegknooppunt voor het transport van troepen en materieel van en naar het front.

De Duitse militaire overheid voert de identiteitskaart met foto in.

Belgen zijn verplicht de kaart bij zich te dragen.

In eerste instantie is een identiteitsbewijs enkel nodig om het Etappegebied te verlaten, vanaf 1916 wordt iedereen verplicht er een te laten maken.

Vier jaar lang komt de Belg dus niet verder meer dan zijn eigen gemeentegrens, tenzij hij of zij de nodige documenten kan voorleggen.

Voor al deze foto’s is een aanzienlijke hoeveelheid fotopapier nodig, maar de voorraad voor beroepsfotografen is beperkt.

Ze nemen daarom vaak een groepsfoto, waaruit de gezichten gesneden worden om op de identiteitskaart te kleven.

Van in het begin van de oorlog is de voedselbevoorrading het grootste probleem.

De binnenlandse productie is ontoereikend, de Britse maritieme blokkade belet de invoer van levensmiddelen en dan zijn er nog de vele Duitse opeisingen.

De Stad Gent richt al op 8 augustus 1914 een Stedelijk Comité der Volksvoeding op, dat gratis soep en brood uitdeelt. In het najaar wordt de voedselsituatie evenwel kritiek.

Op 23 oktober 1914 wordt in Brussel het Nationaal Hulp- en Voedingscomité opgericht, dat uitgroeit tot de motor achter de nationale hulpverlening.

Het voedsel wordt in de Verenigde Staten aangekocht door de Commission for Relief in Belgium.

De distributie in België zelf is, via een netwerk van provinciale en lokale comités, in handen van het Nationaal Comité.

Het voedsel wordt gerantsoeneerd verkocht in ‘Amerikaanse’ winkels.

In 1916 zijn meer dan 60.000 inwoners van Gent afhankelijk van deze voedselhulp.

In de loop van de oorlog neemt het Comité steeds meer taken op zich, zoals de organisatie van soepkeukens, melkuitdelingen en schoolmaaltijden, het uitdelen van kledingstukken, werklozensteun, pakjes voor krijgsgevangen en geïnterneerde soldaten.

Naast het Nationaal Comité zijn er nog een dertigtal kleinere hulporganisaties actief in Gent.Maar de verschillende initiatieven voor hulp tonen slechts een kant van de medaille.

Schaarste betekent in veel gevallen ook hamsteren, zwarte markt en woekerprijzen.

Nieuwe rijken’ worden smalend ‘baron Zeep’ genoemd: door het tekort aan zeep wordt het maken van ersatz zeep bijzonder winstgevend.(Diverse bronnen, Geert Vandamme en Stam)

Vandaag 106 jaar geleden, bezetten de Duitse troepen Gent.

Vandaag 203 jaar geleden, werd de Gentse Universiteit plechtig geopend in de Troonzaal van het Stadhuis.

De feestelijke openingsplechtigheid van de universiteit vindt plaats op 9 oktober 1817 in de troonzaal van het Gentse stadhuis.

In het bijzijn van kroonprins Willem van de Verenigde Nederlanden ‘installeert’ Ocker Repelaer van Driel, commissaris-generaal van onderwijs, kunsten en wetenschappen, de nieuwe rijksuniversiteit.

Koning Willem I zelf is niet aanwezig; zijn troon blijft leeg.

Samen met het kersverse professorenkorps en de curatoren van de universiteit, luistert de verzamelde Gentse elite naar de toespraak van burgemeester de Lens en de Latijnse ‘oratio’ van rector Jean-Charles van Rotterdam.

Buiten wapperen de vlaggen en luiden de klokken van het Belfort’s Avonds wordt aan de plechtigheid een vervolg gebreid met een banket voor 78 personen waarbij 189 flessen wijn worden ontkurkt.

Een maand later, op 3 november 1817, starten de eerste colleges.

In het eerste jaar telde de universiteit 190 studenten, dertien personeelsleden en zestien professoren, waarvan er negen uit het buitenland kwamen, voornamelijk uit Noord-Nederland en Duitsland.

Zij waren verdeeld over vier faculteiten: Letteren, Rechten, Geneeskunde en Wetenschappen.

De voertaal was het Latijn.

In 1830 was de studentenpopulatie aangegroeid tot 414, maar dat aantal daalde snel na de Belgische Revolutie, die de afschaffing van de faculteiten Letteren en Wetenschappen met zich meebracht.

Vanaf dan nam het Frans de plaats in van het Latijn als voertaal van de Gentse universiteit.

Het Frans was toen de voertaal van de Belgische administratie.

Pas vijf jaar later, met de wet op het hoger onderwijs van 1835, gaf de Belgische staat de twee faculteiten terug aan de Universiteit Gent, en kreeg ze daarbovenop de Technische Scholen toegewezen, die aan de faculteit Wetenschappen werden toegevoegd.

Het zou nog 35 jaar duren voor het studentenaantal van 1830 terug werd bereikt.

In de universitaire wedstrijden behaalde de Gentse universiteit in deze periode wel het grootste aantal prijzen. (Geert Vandamme, De Clerck Karel, Wikipedia en Fb groep Gisteren nog vandaag)

Vandaag 203 jaar geleden, werd de Gentse Universiteit plechtig geopend in de Troonzaal van het Stadhuis.

Vanavond 55 jaar geleden, eerste toneelstuk stuk van het Nederlands Toneel Gent.

Op 9 oktober 1965 ging het NTG van start met een merkwaardige opvoering van Maria Stuart van Friedrich von Schiller (1759-1805) in een regie van Georges Vitaly (animator van kleine theaters in Parijs) en de regie-assistent was Jo Decaluwe.

Met Joanna Geldof in de titelrol en Suzanne Juchtmans als Elisabeth.

Maakten ook nog deel uit van deze eerste cast: Gaby Bouüaert, Roger Bolders, Jef Demedts, Daniël Decock, Eric Raes, Werner Kopers, Edgar De Pont, Jo Delvaux, Jaak Vissenaken, Jo De Meyere, Paul-Emile Van Royen, Eddy Asselbergs, Roger De Wilde, Greta Verniers, Anton Cogen, Blanka Heirman, Lieve Moorthamer, Maria Verheyden, Veerle Wyffels, Ivo Baeyens, Jan Gheysens, Dirk Liefooghe, Dirk De Vilder en Gilbert Braeckman.

Er werden van Maria Stuart drieëntwintig voorstellingen gespeeld, waarmee 13.429 toeschouwers werden bereik.

De laatste voorstelling was op 27 oktober 1965

De eerste NTG-directeur Dré Poppe, kon er maar twee seizoenen blijven.

Wegens een onenigheid met zijn Raad van Bestuur met als voorzitter Bert Willems, over participatie in de opbrengst van het toenemende aantal bezoekers, vroeg Poppe op het einde van het seizoen 1966-1967 van zijn verplichtingen als directeur ontheven te worden.

Hij werd opgevolgd door Albert Hanssens, die al als administrateur aan het NTG verbonden was.

Vanavond 55 jaar geleden, eerste toneelstuk stuk van het Nederlands Toneel Gent.
Vanavond 55 jaar geleden, eerste toneelstuk stuk van het Nederlands Toneel Gent.
Vanavond 55 jaar geleden, eerste toneelstuk stuk van het Nederlands Toneel Gent.
Vanavond 55 jaar geleden, eerste toneelstuk stuk van het Nederlands Toneel Gent.

Tentoonstelling, van de Grande Dame Motte van de Hotsy Totsy in galerie Pim De Rudder Assenede en dit nog tot 25 oktober 2020 elke zondag van 15 u tot 18 uur)

Het verhaal van de befaamde ‘Hotsy Totsy Club’ start in 1973, het jaar waarin zijn jongste broer Johan Claus (1938-2009) het pand – gelegen op de hoek van de Hoogstraat met de Oude Houtlei – inricht en decoreert met voor ogen de gelijknamige ‘Hotsy Totsy Club’ van Al Capone uit het Chicago van de jaren dertig.

In datzelfde jaar nog laat hij de exploitatie over aan broer Guido die er zijn levenswerk van maakt.

Het unieke interieur, de gezelligheid en de persoonlijkheden van Guido en levensgezellin Motte geven het artiestencafé een renommé tot ver buiten de grenzen.

Ook broer Hugo Claus, Jan Hoet, en vele anderen, zijn er een graag geziene gasten, die regelmatig een kaartje legt met zijn broer en zijn literaire vrienden.

Van Hugo Claus hangt buiten aan de zijmuur van de Oude Houtlei trouwens een lofgedicht op Guido Claus en op de ‘Hotsy Totsy’, genaamd ‘Achter deze gevel hier’.

De ‘Hotsy Totsy’ is als authentiek Gentse artiestencafé ruim 45 jaar een begrip in Gent en is nog steeds een pleisterplaats voor iedereen die geïnteresseerd is in kunst en cultuur.

Op 17 maart 1983, stelde Hugo Claus in de club zijn lang verbeide magnum opus Het verdriet van België voor aan pers en publiek.

De publicatie zorgde in de Belgische pers voor een nooit geziene hype.

Van 1986 tot 1991 vormde Guido Claus met Jan Albert De Bruyne (alias ‘Prof. Arnoldus Goedbier’) het muzikaal straattheater-duo ‘Twee Wezen’, speelde hij in de toneelbewerking van Lijmen & Het been (naar Willem Elsschot) in het NTG (september 1986), en vertolkte tevens een tiental rolletjes in films, onder meer in: ‘De Loteling’ (1973), ‘Vrijdag’ (1981) en ‘Hector’ (1987).

In november 1991 overlijdt Guido Claus plots en koopt de Groep Druwel de zaak en het nabijgelegen pand.

Na de restauratie van het gebouw, verkoopt de Groep Druwel de zaak aan Patrick De Graeve, die de zaak een nieuwe boost gaf en waar Motte Claus deel uitmaakt van zijn team.

Al enkele jaren is de uitbating van de Hotsy Totsy in goede handen van Lara.

Vernissage Motte Claus in galerie Pim De Rudder Assenede. Van 4 tot 25 oktober 2020 elke zondag van 15 u tot 18 uur. Stichting Pim De Ridder Hoogstraat 4-6 Assenede.

Vandaag is het ook al vijftien jaar geleden dat de Gentse kursiefjesschrijver Prosper De Smet is gestorven.

Ongeveer 20 jaar geleden, leerde ik hem kennen dankzij Coenraed de Waele en ik nodigde hem dan ook uit om zijn gedichten bundel Gekke gedachten, stille gepeinzen voor te stellen in de Hotsy Totsy.

Hij werd geboren in het ouderlijk huis te Gent, in de Roggestraat.

Zijn vader, August, was dokwerker, zijn moeder, Cordula D’haese, naaister.Vader De Smet overleed in 1928.

Vanaf dat jaar, 9 jaar oud, tot oktober 1932, verbleef Prosper in het Stedelijk Weeshuis voor Jongens (“Kuldershuis” genoemd) op de Martelaarslaan te Gent.

Toen zijn moeder hertrouwde kon hij, vanaf november 1932, opnieuw bij haar en zijn stiefvader wonen, in de Roggestraat.

Na de Lagere Hoofdschool aan de Van Monckhovenstraat, volgde De Smet de beroepsschool aan de Martelaarslaan te Gent.

Tot de leeftijd van 17 jaar volgde hij daar een opleiding “letterzetter”. Hij ging naar de avondschool om zich te bekwamen in het Frans, Engels en Duits.Rond zijn veertiende jaar ontdekte hij het werk van Felix Timmermans, James Oliver Curwood en vooral Multatuli.

Na het verlaten van de school, in 1936, werkte hij in de drukkerij Heuvelmans aan de Lindelei. Kort daarop, 18 jaar oud, werd hij als soldaat gelegerd te Brussel.

Na 17 maanden dienst werd hij gemobiliseerd te velde.Het gezin verhuisde in januari 1940 naar de Hoppestraat (nu Poperingestraat).

In het ouderlijk gezin werd, met uitzondering van de krant Vooruit, niet gelezen. Prosper had vrij vroeg belangstelling voor de dagelijkse rubriek Boekuil (van Raymond Herreman) en voor de wekelijkse bladzijde Geestesleven.

In april 1946, na zijn huwelijk, verhuisde hij naar de Rooigemlaan.

In 1951 trok het gezin naar de Grensstraat en juli 1960 vestigden zij zich in de Bosuilstraat te Wondelgem, waar hij woonde tot aan zijn dood.

Vanaf 1945 werkte hij als drukker-letterzetter, eerst bij de Gentse firma Collier in de Jutestraat en vanaf 1948 bij het dagblad Vooruit, in de Sint-Pietersnieuwstraat.

Na een paar jaar verzorgde hij ook de lay-out van de krant. Na het stopzetten van Vooruit (1978) was hij nog enkele jaren verbonden aan de krant De Morgen.

In 1980 ging hij met pensioen.Van 1952 tot 1965 schreef hij – nog steeds letterzetter en lay out-man in de drukkerij – onder pseudoniem PDS boekbesprekingen voor de rubriek Geestesleven van Vooruit.

Van 1953 tot 1975 leverde hij (nu onder pseudoniem Polke Pluim) humoristische bijdragen voor de sportbladzijden.

In 1961 voegde hij daaraan nog een dagelijks cursiefje toe (ondertekend met P. Pluim).Dertig jaar lang zou hij dit volhouden, ook nadat Vooruit opging in De Morgen. In laatstgenoemde krant vertraagde het ritme iets: vanaf 1991 verschenen er wekelijks nog drie cursiefjes, dan twee en ten slotte nog één.

In september 2001 stopte hij definitief met zijn bijdragen.

De Smet schreef dus bijna 50 jaar voor de krant.In 1988 werd een bundel cursiefjes uitgegeven onder de titel In de Krabbel.

Zijn meestal optimistische stukjes hebben soms een vleugje weemoed.

Ze gaan vooral over het dagelijkse leven van de gewone man. Ze zijn vaak een milde, maar tezelfdertijd rake commentaar op de samenleving.

Tussen 1963 en 1965 publiceerde De Smet, onder zijn eigennaam, een tiental novellen in Elseviers weekblad.Novellen werden ook opgenomen o.m.in het Nieuw Vlaams tijdschrift, in Dietsche Warande & Belfort en in De Vlaamse gids.Tussen 1955 en 1990 werden ook een achttal romans, een toneelstuk, een verhalenbundel en enkele dichtbundels gepubliceerd.

In 1999 gaf hij, in eigen beheer, nog een dichtbundel uit: Gekke gedachten, stille gepeinzen.In 1957 werd de eerste roman van De Smet, De ontploffing, uitgegeven.

Hij werd ervoor onderscheiden met de publieksprijs, het zgn. Referendum van Vlaamse letterkundigen.

De Groene Amsterdammer riep dit werk uit tot boek van de maand.

Een jaar later verscheen het verhalend gedicht Aan de voet van ‘t Gravensteen; nog in hetzelfde jaar kende de stad Gent er hem haar Letterkundige prijs voor toe.

Zijn toneelstuk De ondernemingsraad werd in 1968 onderscheiden met de Visser Neerlandiaprijs; het werd nog in 1968 opgevoerd door de Gentse Multatulikring

In 1969 kreeg hij een tweede maal de Letterkundige prijs van zijn geboortestad, dit keer voor zijn verhalenbundel Prinses en coverboy.

Het geweer zonder kogels (1985) is een roman over zijn soldatentijd tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Met zijn romans en zijn novellen bevestigt De Smet dat hij een rasecht verteller is.

Zijn werk getuigt van rechtvaardigheidsgevoel en van een sterke sociale betrokkenheid.

Scherpzinnigheid en humor, naast wijsheid en mededogen, laten hem toe de kleinmenselijke kantjes liefdevol te relativeren.

Prosper De Smet stierf in 2005 op zesentachtigjarige leeftijd (diverse bronnen, Helena de Vetter en Wikipedia)

190 jaar geleden, Gent trouw aan Oranje, liever koning Willem I dan Leopold I

190 jaar geleden, Gent trouw aan Oranje, liever koning Willem I dan Leopold I
190 jaar geleden, Gent trouw aan Oranje, liever koning Willem I dan Leopold I
190 jaar geleden, Gent trouw aan Oranje, liever koning Willem I dan Leopold I
190 jaar geleden, Gent trouw aan Oranje, liever koning Willem I dan Leopold I
190 jaar geleden, Gent trouw aan Oranje, liever koning Willem I dan Leopold I

40 jaar geleden, te gast bij de Gentse kunstenaar Octave Landuyt.

Landuyt werd geboren op 26 december 1922 in Gent. Vanwege het werk van zijn vader moest het gezin vaak verhuizen.

Zo woonden de Landuyts in Eeklo (1929) en Kortrijk (1931).

Uit de kleiputten haalde hij materiaal om grote figuren te boetseren.

De grote metalen voorwerpen waaraan schepen zich ankeren langs het kanaal Kortrijk-Bossuit zouden later zijn typische vormen laten ontstaan voor vele werken.

Naast de wetenschappelijke humaniora doorliep hij met succes de teken- en schilderacademie van Kortrijk.

Hij kreeg een technisch-ambachtelijke vorming die in heel zijn verdere œuvre te zien is. In 1946 en 1947 behaalde hij de hogere diploma’s aan de middenjury.

In 1954 werd in België de eerste afdeling Plastische Kunsten opgericht: voor het eerst werden tekenleraars gevormd. Landuyt stond aan de wieg van deze afdeling aan de Rijksnormaalschool van Gent (nu departement Lerarenopleiding van de Hogeschool Gent) en was er de eerste leraar.

In 1965 vestigt hij zich definitief in Heusden bij Gent.In het begin zocht Landuyt inspiratie binnen droom- en waanbeelden.

Zijn onderwerpen verwijzen vaak naar dood, dreiging en verval.Zijn vroege werk sloot nauw aan bij de nationaal en internationaal sterk aanwezige magisch-realistische en surrealistische stromingen.

Later produceerde hij abstract werk (uitvergrotingen) met een voorkeur voor het tragische.

Begin de jaren 60 keerde hij terug naar de figuratie en schilderde hij enkele monumentale gezichten en dieren. Dit was het belangrijkste fragment van zijn oeuvre.

Leven en dood staan centraal.

In 1973 organiseerde het Gentse Stadsbestuur samen met het toenmalige Ministerie van Nederlandse Cultuur de “Retrospectieve tentoonstelling Octave Landuyt” in de Sint-Pietersabdij.

Vierendertig jaar later, van 11 mei tot en met 26 augustus 2007, organiseerde de Stad Gent in Kunsthal Sint-Pietersabdij opnieuw een Landuyt-tentoonstelling onder de naam Ricorso; dit was een totaaloverzicht van zijn œuvre.

Ongeveer in dezelfde periode was er ook werk te zien in het Caermersklooster te Gent en in het “Museum van Deinze en de Leiestreek”.

Bewonderaars van Landuyts kunst scharen hem onder de renaissance-kunstenaars of noemen hem een wedergeboorte van de Vlaamse Primitieven. (Diverse bronnen, De Post en Wikipedia)

Octave Landuyt
40 jaar geleden, te gast bij de Gentse kunstenaar Octave Landuyt.
40 jaar geleden, te gast bij de Gentse kunstenaar Octave Landuyt.
40 jaar geleden, te gast bij de Gentse kunstenaar Octave Landuyt.
40 jaar geleden, te gast bij de Gentse kunstenaar Octave Landuyt.
40 jaar geleden, te gast bij de Gentse kunstenaar Octave Landuyt.