50 jaar geleden, de Vlaming Hugo De Pot en zijn Canadees balletgezelschap Les Ballets modernes du Quebec te gast in Brussel.

50 jaar geleden, de Vlaming Hugo De Pot en zijn Canadees balletgezelschap Les Ballets modernes du Quebec te gast in Brussel

Hugo De Pot is geboren in Aalst, op 19 november 1942.

Hij studeerde aan het Sint-Maarten Instituut in Aalst en aan de Katholieke Universiteit van Leuven.​

Op 15 december 1965, na zijn studies Licentiaat en aggregaat Lichamelijke Opvoeding en Kinesitherapie, aan de KUL, aanvaarde Hugo De Pot een contract als leraar aan het Instituut voor Lichamelijke Opvoeding “Yvan Coutu” in Montréal, zonder te vermoeden dat hij niet 5 jaar, maar meer dan 50 jaar in Canada zou verblijven.

In 1967 werd hij leraar L.O. aan het departement “Loisirs et Sports” van het CEGEP van Montreal en in 1970 professor L.O. aan de Université du Québec.

Twee maanden na zijn aankomst in Montreal, richtte hij kunstgroep “Ars Gymnastica” op met zijn beste studenten Lichamelijke Opvoeding.

Vijf jaar experimenteren met lichaamsexpressie, doen zijn groep evolueren van ritmische gymnastiek naar acrobatische gymnastiek, en van contemporaine dans naar modern ballet.

De vele aanvragen voor optredens in theaters en op televisie waren de reden dat hij, samen met een twintigtal dansers, besloot zich voltijds te wijden aan de dans en hij richt “Les Ballets modernes du Quebec” op in 1970.

In 1973 vraagt de stad Longueuil aan Hugo om zich daar te vestigen met zijn balletgroep, en hij wordt door de burgemeester een gebouw aangeboden aan een interessante aankoopprijs.

Dit zette hem aan om “Ecole de danse Hugo Depot” op te richten en duizenden jonge mensen de kans te geven om danslessen te volgen.

Van 1971 tot 1975 waren vijf fantastische jaren van rondreizen met zijn “Ballets Modernes du Québec” in Canada en Europa.

Tijdens hun verblijf in Québec waren er tientallen optredens voor televisie en choreografieën voor culturele programma’s.

Zijn werk werd bekroond in 1975 op het Internationaal Dansfestival van Parijs, met een derde prijs als groep, en voor Hugo een eerste prijs voor moderne choreografie voor zijn ballet “La guerre pour la Paix”.

In 1974 werd Hugo De Pot door het Canadees Olympisch Comité benoemd tot artistiek directeur en choreograaf voor de Opening- en Sluitingsceremonies van de Olympische Spelen van Montréal in 1976.

Bijgestaan door zijn 12 dansers en 75 leraars L.O. trainde hij 5000 jonge dansers voor deze twee spektakels.

Toen een aanvraag voor een verzekerde jaarlijkse toelage aan zijn Ballets Modernes du Québec door de Canadese regering werd geweigerd, niettegenstaande een dik dossier van positieve perskritieken in zes talen, besloot Hugo De Pot zijn balletgroep te ontbinden, vermits het onmogelijk werd om hetzelfde artistieke niveau te behouden zonder gouvernementele steun.

Hugo besliste terug in Aalst te gaan wonen.

Maar, in 1977, op vraag van de Canadese regering, keerde hij terug naar Canada, om een massa spektakel te realiseren ter bevordering van de sport, met meer dan 2500 figuranten, in het Olympisch stadium van Montréal.

Dit was het begin van een nieuwe succesvolle periode voor Hugo De Pot.

Hij richtte “Hugo De Pot Productions” op waarmee hij bij vele nationale en internationale evenementen betrokken was als producer en/of als regisseur en choreograaf.

Alleen al in het Olympisch Stadium van Montréal realiseerde hij 14 spektakels die rechtstreeks op internationale televisie werden vertoond.

In 2004 , tijdens een rondreis in Cambodja, was Hugo erg onder de indruk van de penibele levensomstandigheden van die arme mensen en hij besloot gedurende de volgende jaren van zijn leven iets terug te geven aan de maatschappij.

In 2007 werd de vzw “Smilin Kids” opgericht. Hugo gaat er drie maal per jaar als vrijwilliger werken in zijn weeshuis en de school voor arme kinderen.(Diverse bronnen, Blog Hugo De Pot en De Post 28 november 1971)

50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny

Leopold (alias Pol) Scrayen werd geboren in Hechtel (Vlaams Limburg) op 7 december 1920.

Leopold Scrayen was als beeldende kunstenaar een selfmade man die in de wereld van de ‘grote kunst’ in eigen land niet altijd de waardering kreeg die hij verdiende.

Pas op latere leeftijd nam hij hamer en beitel ter hand om zijn eerste kunstcreaties vorm te gegeven.

Voordien was hij werkzaam als bovengrondse arbeider in een van de Limburgse koolmijnen.

Hij verdiende er als lasser de kost tot hij in 1959, op 39-jarige leeftijd, ziek werd.

Een ernstige hartkwaal die gepaard ging met verlammingsverschijnselen belette hem zijn beroep nog langer uit te oefenen.

Het duurde drie jaar vooraleer hij opnieuw te been was.

Op zoek naar geschikt werk, kwam hij eerder toevallig terecht bij een bedrijf in Bree waar grafzerken werden gemaakt.

Hij zag er een beeldhouwer aan de slag en zelfverzekerd beweerde Scrayen, die nooit eerder als beeldhouwer of als tekenaar enige opleiding had genoten: ‘dat kan ik ook’…

Het klonk zo overtuigend dat de grafsteenmaker Scrayen bij wijze van proef een Christuskop liet beitelen. Raar maar waar, het werkstuk voldeed aan alle vereisten van de kunst en Leopold werd in dienst genomen.

De eenvoudige arbeider had in zich het oertalent ontdekt.

Al vlug experimenteerde hij ook met het maken van portretten in zachtere materie.

Een vriend bezorgde hem de geschikte essen-, linden- en beukenhouten planken en Scrayen vond zijn ware roeping in het maken van houtsculpturen.

Na een paar jaar liet hij het steenhouwen voor wat het was om zich voltijds toe te leggen op het hakken van houten bas-reliëfs, hoofdzakelijk portretten.

Geregeld maakte hij ook wand- en sierpanelen voor het bouwbedrijf in opdracht van architecten.

De eigenzinnige ‘filosoof’ en would-be-kunstenaar die Scrayen in de ogen van zijn dorpsgenoten was, oogstte aanvankelijk enige spot, maar al vlug erkenden vriend en vijand de hoogstaande kwaliteit van zijn werk.

Het duurde geen tijd of de bestellingen liepen in die mate binnen dat Leopold zich voltijds aan zijn kunst kon wijden.

Leopold Scrayen slaagde erin om van zijn kunst te leven en zijn gezin te onderhouden.

Op geregelde tijdstippen wist hij zich in de belangstelling te plaatsen met het portretteren van nationale en internationale figuren zoals lukraak Jozef Muls, Stijn Streuvels, Beethoven, J.P. Belmondo, W. Churchill, H. Ford, C. De Gaulle, E. Hemingway, J.F. Kennedy, de pausen Paulus VI en Johannes Paulus II, J. Sibelius en vele andere.

Tussen de bedrijven door maakte Leopold ook af en toe kopergravures met Bijbelse taferelen als thema.

Dikwijls werkte hij in opdracht van officiële besturen of bedrijven maar ook en vooral creëerde hij de portretten omdat hij grote bewondering had voor de uitgebeelde personaliteiten.

De kunstwerken werden dan meestal via de betrokken ambassades of bij officiële ontvangsten aan de geportretteerde overhandigd.

Dit bracht de artiest Scrayen heel wat nationale en internationale bekendheid en erkenning.

Te bescheiden en te streekgebonden, ging Leopold zelden in op uitnodigingen – ook van vermaarde internationale galerijen, onder andere in Londen – voor deelname aan tentoonstellingen.

Hij had lak aan officieel gedoe: hij bleef afwezig.

Hij maakte een uitzondering voor het officiële Belgische paviljoen op de Wereldtentoonstelling van Montreal (1967) waar bas-reliëfs te zien waren met portretten van Salvador Dali, Martin Luther King en Orson Welles en ook een zelfportret.

Leopold Scrayen ontwikkelde een sterk persoonlijke stijl, ‘kubistisch’ zoals hijzelf de neo-art-decostijl definieerde waarin hij portretten uit het hout hakte.

Hij was getrouwd met Maria Vandebroek en had drie dochters.

De jongste dochter, Gabriëlle, was aanvankelijk operazangeres bij de Koninklijke Opera van Antwerpen.

Na een reeks gastoptredens in januari 1980 in de opera van Sidney kwam zij niet meer naar Vlaanderen terug en bleef zij in Australië wonen.

In Perth ging zij weer studeren en na haar studies kon.

Zij achtereenvolgens als lerares en chemica aan de slag in haar nieuwe thuisland.

In 1986 emigreerde ook Leopolds oudste dochter Jenny.

Zij had een echtscheiding achter de rug en vertrok met haar drie kinderen om in Australië, als kunstenares, een nieuwe toekomst op te bouwen.

In februari 1989 ging ook de derde dochter met haar man en twee kinderen zich in Australië vestigen.

Leopold en zijn echtgenote bleven als verweesd achter.

Al vlug konden zij het verlangen naar hun kinderen, klein- en achterkleinkinderen niet langer onderdrukken en uiteindelijk, op 16 februari 1990, waagde ook het ouderpaar de overtocht en werd de hele familie er weer herenigd.

Nadat Leopold in Hechtel had bewezen een begenadigde kunstenaar, een oertalent te zijn, viel de artistieke creativiteit van de ruim 70-jarige man, na de emigratie naar Australië wat stil, maar zijn al even getalenteerde dochter Jenny zette er de traditie verder. In haar jeugd uitsluitend opgeleid door haar vader, maakt zij zich nu nog verdienstelijk met, zoals gezegd, het geven van lessen ‘wood-carving’ aan diverse kunstacademies.

In Australië maakte zij onder meer ook naam door het maken van houtsculpturen voor replica’s van historische schepen naar middeleeuwse modellen.

Verteerd door heimwee naar zijn geboortedorp, overleed vader Scrayen er op 79-jarige leeftijd.

Hij overleed te Marangaroo (Perth, West-Australië) op 21 augustus 1999.(Diverse bronnen, Paul Thiers en De Post van 2 mei 1971)

50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny
50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny
50 jaar geleden, te gast bij Beeldhouw Leopold Pol Scrayen en zijn dochter Jeny