60 jaar geleden, te gast bij de Belgisch kunstenaar, mysticus en pacifist Robert Garcet en zijn Toren van Eben-Ezer Ons Land mei 1961)

In 1930 vestigde hij zich in Eben-Emael.

Van beroep was hij steenhouwer, zijn favoriete materiaal was vuursteen (silex).

Hij was werkzaam in een vuursteenwerkplaats waar er vuursteen gekapt werd voor de productie van de binnenzijde van maaltrommels in de keramische industrie.


Hij is de ontwerper en eigenhandige bouwer van de, na meer dan 15 jaar werk, in 1965 voltooide Toren van Eben-Ezer en de oprichter van het daarin gevestigde Silex Museum.


Als kunstenaar was hij autodidact, zijn werk wordt gerekend tot de art brut (outsider art).

Hij schreef boeken over vele onderwerpen, zoals geologie, mystiek en de bijbel.

60 jaar geleden, te gast bij de Belgisch kunstenaar, mysticus en pacifist Robert Garce en zijn Toren van Eben-Ezer Ons Land mei 1961)

Een aanrader om te lezen, Geert Van Doorne over de aanpassingen van het Gravensteen: onder het mom van de gehandicapten is dat het begin van om heel het Gravenkasteel stillekensaan te verleuken.

Er zijn zo’n aantal zaken die gezwind vergeten worden.

Ten eerste: op de plaats waar men dat paviljoen wil bouwen, en waar die groenzone is, daar stonden huizen in de Geldmunt.

En die huizen zijn afgebroken nadat ze onteigend waren door de overheid, door de stad en de Belgische staat.

Om de muren van het kasteel zichtbaar te maken werd alles afgebroken.

Dus die eigenaars zijn op dat ogenblik eigenlijk onterfd, en in compensatie heeft men dan met al die onteigende eigenaars afgesloten dat er nooit op die grond iets zou mogen terug gebouwd worden.

Dat kan niet! Dat de overheid u uit uw eigendom jaagt, dat afbreekt tot in de funderingen, zonder compensatie, zonder planschade. Ja, er is betaald, maar de psychologische planschade was: hier gaat nooit meer iets veranderen.

Zo is de bedoeling om het Gravensteen te ontmantelen gemotiveerd, zo is dat goedgemaakt om het zo te zeggen. ‘We gaan hier een stukske oudheidkundig erfgoed zichtbaar maken voor het publiek: were loate zien!’

Want er waren twee initiatiefnemers: de Belgische staat en de stad Gent. En daar zie je ‘t verschil.

Het ministerie, dus de Belgische staat, de minister zei: We gaan daar zoveel miljoen tegengooien om die centrale gebouwen van ’t kasteel te restaureren. ‘Jomoar,’ zei burgemeester Émile Braun, ‘daar hebben wij niks aan.

De Genteneirs willen die muren zien!

Wij gaan geen miljoenen investeren in gebouwen die onzichtbaar zijn, die achter de huizen wegzitten! En, da moe wéeg.

Allemaal weg’

Dus na een pittige discussie heeft de Belgische staat dan toch ook geld vrijgemaakt om de huizen te onteigenen, en de belofte te doen: daar zal nooit meer gebouwd worden, nooit nie meer!

Ze hebben daar wel definitieve beloften gedaan.

En de stad heeft ook de omgeving van het Gravensteen verfraaid, want na de afbraak van die huizen zaagt gij niet anders dan binnenmuren, dan koterijen achteraan, en dat paste niet bij het beeld van het Gravenkasteel.

En dan heeft de stad door de conventie af te sluiten met de eigenaars van de aanpalende woningen en huizen, heeft de stad een soort van pseudogevels gezet voor die afbraakterreinen – aan het Veerleplein, aan de Geldmunt, Dutry, ook in de Rekelingenstraat en heel de omgeving eigenlijk.

Ze hebben dus eerst de kant van het Veerleplein gedaan, dan de kant van de Geldmunt, en dan de gebouwen aan de binnenkant.

Dat is de chronologie van de restauratie. Deels een reconstructie, moeten we wel toegeven, en er zijn een beetje excessen gedaan, bijvoorbeeld het verbreden van het watervlak tot aan de muren, dat is niet origineel want op de gravure van Sanderus ziet ge dat daar geen druppel water was

De huizen stonden tot tegen het Kasteel.

En als ge nu op het Veerleplein komt, dat iets enig, en de wijk Patershol, dat is onlosmakelijk verbonden met het kasteel.

Dat is het Gravenstadje, zoals men in de middeleeuwen schreef: ’s Gravenstede, het Castrum: dat was eigendom van de graaf van Vlaanderen.

Na de Eerste Wereldoorlog was de meest urgente prioriteit de woonstverschaffing. Men heeft dan met het Albertfonds noodwoningen voorzien voor de bevolking.

Men moest de haveninstallaties die door de Duitsers compleet vernield waren her-maken, volledig. Men had dus de dokken en de sluizen vol met gezonken schepen gelegd, zodanig dat er geen doorvaart meer was in het kanaal van Terneuzen.

In feite werd de politiek van Gent in de tweede helft van de XIXde eeuw en in de Belle Époque bepaald door de katoenbarons.

Dat waren liberalen. Men had een hele suite van liberale burgemeesters: Lippens, en dan baron Braun – dus de Brauns dat waren mannen van de UCO.

Na de eerste oorlog had Eedje Anseele geweldig veel invloed op koning Albert en op de publieke opinie.

Hij dacht dat hij de Gentse Lenin was. Hij ging overal op het Sint-Pietersplein en op andere plaatsen, op de Vrijdagmarkt – met die vuist vooruit, gelijk dat hij gestandbeeld staat aan de Zuid – en met zijn klak op zijne kop het werkvolk gaan toespreken en gaan toezingen – want hij vond dat het proletarische een belangrijkste rol speelde – en ook schreef hij de Vooruit vol met artikels over het feit dat wereldoorlog een sociale crisis was en geen politieke crisis.

Na de Eerste Wereldoorlog, dus in ’18, en in ’20, de jaren twintig, de dolle jaren twintig dat dat de periode moest zijn van de marxistische gelijkschakeling, de klassenstrijd in feite, de dictatuur van het proletariaat.

En dat was de prioriteit op dat ogenblik.En voor oude gebouwen te restaureren, wat men gedaan had voor de oorlog, was er geen interesse meer, geen geld meer.

Men wilde verbetering van de cités, van de beluiken, rioleringen in de straten want de mensen stierven aan tyfus, aan cholera door die slechte hygiënische omstandigheden. Men wilde beter medische zorg enzovoort.

Nee, het was gedaan met de monumentenzorg.

En al die figuren als Joseph De Waele, die daar een grote rol in gespeeld heeft, Armand Janssens die in het Patershol woonde, in de Drongenhofstraat …en wie had ge zo nog?

Alfons]Van Werveke en Auguste de Maere Limnander een grote invloed had, en Paul de Smet de Naeyer, en Émile Braun die ook een fervente voorstander was van de restauratie, Armand Heins, allemaal grote figuren, Auguste Wagener in de gemeenteraad, die hebben allemaal ulderen bek gehouden na de eerste oorlog en gezegd: goed, laat ze nu maar rioleringen leggen, laat ze nu maar de waterlopen saneren, de beluiken enzovoort.

En dan …dan was het inderdaad gedaan tot …tot het Jaar van het Bouwkundig Erfgoed, tot in 1975.

Zij volgen de trend die overal opgeld maakt. Ik heb dat gezien in Frankrijk ook, het kasteel Saumur en op andere plaatsen.

Men wil die dingen als een soort speelgoed gebruiken – het kasteel van Anger is ook zo toegetakeld – en ook profiteren van het massatoerisme dat in de jaren ’90 tot stand gekomen is. Ja, het is het toerisme zien als een geldkraan en iets om mee uit te pakken. ’t Is omdat ze niet capabel zijn om op een andere manier de stad Gent een plaats te geven, dat men het zo maar probeert.

Gent probeert het via een leuk toerisme, dat ook nog lucratief is.

En wat [‘stadsbouwmeester’ Peter] Vanden Abeele zegt is stemmingmakerij. Ik kan dat alleen maar zo noemen: stemmingmakerij, de mensen opjagen.

Op den duur gaan de mensen nog zeggen dat De Waele het kasteel helemaal vanuit de grond heeft opgebouwd als een attractie.Het is dus een dubbele agenda, een verborgen agenda, duidelijk. En dat is vloeken hé!Dat is dus …Joseph De Waele is zich aan het keren in zijn graf.

Die mens heeft oprecht zijn best gedaan om correct te tonen waar hij begon en waar de ruïne eindigde.Hetgeen dat hij kreeg: hij kreeg niet meer dan hetgeen dat overschoot, en daar moest hij het mee doen.

En De Waele heeft gezegd: kom, ik ga die grens voor eeuwig en altijd tonen.

Ge kunt die grens niet wegcijferen: het zit hard in de steen.Ik heb dus veel buitenlandse kastelen bezocht ook, en overal heb ik vastgesteld – in de periode dat ik beroepsactief was – dat de eigenaars van kastelen het nodig vonden om hun kastelen te ‘verleuken’.

Ik kan het niet anders dan met een Hollandse term benoemen.

Bijvoorbeeld in het Muiderslot benoorden Amsterdam hebben ze de verleuking ver doorgevoerd.

Het is een soort pretpark geworden, dat kasteel.

Dat is nochtans een kasteel uit de XIVde eeuw, gebouwd door de graven van Holland, en in dat opzicht heel goed te vergelijken met het Gravensteen in Gent.

Het is ook een beetje een symbool, het Muiderslot.

Het graafschap Holland herkent zich in dat slot zoals het graafschap Vlaanderen zich kan vereenzelvigen met het Gravenkasteel van Gent, vermits bijvoorbeeld het Gravensteen van Brugge niet meer bestaat, het kasteel van Wijnendale neogotisch verbouwd is, en Rijsel ook.

Daar staat nog een stukje – ik heb dat ook bezocht – het Palais Rihour, maar dat is later herbouwd in de Boergondische periode, in Franse witsteen.

Het is, het is niet te vergelijken met het Gravenkasteel.

Als ge dat wilt visualiseren – het belang van Vlaanderen, van het graafschap in de middeleeuwen – visualiseert ge dat toch het gemakkelijkst in dat kasteel.

Want dat staat op topniveau, Europees bekeken: de Europese feodaliteit heeft niet veel dat daarmee te vergelijken valt.

Het is een gruwel, ’t en trekt er nie op! Het maken van een gat in de muur van het kasteel: een gruwel. Dat is absurdissimum.

Ingaan tegen de bedoeling.

En dat is een aspect dat samenhangt met het feodale kasteel. Het feodale kasteel is vanuit zij karakter ontoegankelijk gemaakt.

Het is defensief gedacht: houd ze buiten, houd ze weg! De muren zijn er om brutalistisch gesloten te zijn.

Men verwart blijkbaar een feodale burcht met een renaissancekasteel aan de boorden van de Loire. Dat lacht, Azay-le-Rideau, Chambord: dat zit vol deuren, en over de gracht ligt dat vol met bruggen.

Aan het Gravenkasteel gaat ge geen bruggen leggen.

Ge zoudt kunnen aan de westkant, aan de kant van het Gewad tien bruggen leggen over de Lieve, om het kasteel toegankelijk te maken.

Maar dat doe je toch niet hé!

Het culturele leven en het culturele erfgoed moet – zegt de UNESCO – in het kader van de mensenrechten voor iedereen toegankelijk zijn.

Maar ze zeggen er wel uitdrukkelijk bij: niet ten koste van andere waarden.

We gaan terug naar 1985.

Van toegankelijkheid voor gehandicapten was er geen sprake.

Stilletjes aan is door sensibilisering de mentaliteit, de publieke mentaliteit bewerkt, zodanig dat men daar nu een punt van maakt, dat belangrijk vindt.

Maar, ik ben nu zelf ook gehandicapt, als ik in de stad loop of rijd met mijn rolstoel: ik kan nergens een winkel binnen, ik kan nergens een trottoir berijden, ik kan nergens de straat oversteken.

Ik kan niet naar het Gravenkasteel, totaal onmogelijk, ik er niet bij en geen enkele gehandicapte.

Men gaat daar zoveel miljoenen uitgeven zonder resultaat, dat het beoogde publiek er toch niet bij kan.

Geef gij dertig miljoen euro uit om het Gravenkasteel met zware ingrepen toegankelijk te maken voor rolstoelpatiënten: geen enkel rolstoel kan erbij.

Ik geef u op mijn woord dat ik in de Geldmunt het trottoir niet kan berijden met de rolstoel, of niet met een scooter, of niet met een mobylette, wat dan ook.

Het Gravensteen kan ik nooit bereiken, zelfs dat paviljoen niet.

Ze hebben een beslissing genomen, lichtzinnig, zonder het dossier te kennen, zonder een keer over na te denken.

Er is een verborgen agenda.

Men wil dat er nu doorduwen en realiseren, als een begin. Onder het mom van de gehandicapten is dat het begin van om heel het Gravenkasteel stillekensaan te verleuken.

En misschien de andere Historische Huizen van de stad ook, ’t Belfort, ’t Stadhuis, Lakenhal. Allemaal topmonumenten hé!(Geert Van Doorne, voormalig Directeur Monumentenzorg Gent en beheerder van het Gravensteen en S.O.S Gravensteen, 23/04/2021)

Vandaag 132 jaar geleden, de Eiffeltoren officieel ingehuldigd.

De Eiffeltoren werd gebouwd als een attractie op de wereldtentoonstelling van 1889, een tentoonstelling die gehouden werd op de honderdste verjaardag van de Franse Revolutie in 1789.

De toren stond symbool voor de Franse technologische vooruitgang

De bouw van de ijzeren constructie werd met veel protest onthaald.

Het werd in die tijd aanzien als een monsterlijk gevaarte dat niet paste bij de architectuur van Parijs.

Ondanks alle protesten van de inwoners van Parijs en vele critici werd de toren tijdig voor de opening van de tentoonstelling afgewerkt.

Het was oorspronkelijke de bedoeling dat de Eiffeltoren na het einde van de wereldtentoonstelling zou afgebroken worden maar de opkomst van de radio bracht redding: doordat de toren boven de stad uitstak was het een uitstekende zendmast en zodoende werd besloten om de toren toch niet af te breken.

De ontwerpers architecten-ingenieurs die de Eiffeltoren ontwierpen zijn Maurice Koechlin en Emile Nougier die het ontwerp in 1884 lieten zien aan Eiffel die het ontwerp maar niets vond.

Koechlin en Nougier waren werknemers van de firma Eiffel.

Zij zullen het concept en het idee van de toren patenteren op hun eigen naam (met goedkeuring van Gustave Eiffel, hun grote baas).

Bij de vraag van de Franse Regering voor een opvallend bouwwerk voor de wereldtentoonstelling zal Eiffel dit idee terug opnemen, zal hij het patent terugkopen van de twee ingenieurs en de toren bouwen.

De twee werden aangesteld als werfopzichters van de Eiffeltoren. Maurice Koechlin was eerder al verantwoordelijk voor de metaalconstructie binnenin het vrijheidsbeeld. 

Gustave Eiffel, was indertijd gekend van zijn revolutionaire technieken gebruikt bij het bouwen van bruggen zoals het viaduct van Garabit, gebouwd in 1884.

Deze technieken zouden de basis vormen bij de constructie van de Eiffeltoren.

Gustave Eiffel is ook bekend vanwege zijn constructie van het ijzeren geraamte van het Vrijheidsbeeld in New York.

Het duurde meer dan twee jaar vooraleer de toren afgewerkt was.

Elk van de ongeveer 12.000 ijzeren stukken werden afzonderlijk ontworpen om ze precies de juiste vorm te geven.

De stukken werden op voorhand geconstrueerd en ter plekke in elkaar gezet met behulp van zo’n 7 miljoen spijkers.

Afhankelijk van de omgevingstemperatuur kan de toren 15 cm in hoogte veranderen door het uitzetten of krimpen van het metaal

Toen de Eiffeltoren op 31 maart 1889 officieel ingehuldigd werd was het hoogste bouwwerk ter wereld.

Het zou deze titel behouden tot de Chrysler Building in 1930 voltooid werd in New York.

Op 6 mei werd de Eiffeltoren officieel geopend.

Dit door de prins van Wales, Koning Edward VII van Engeland. (diverse bronnen, Ludovik Manivelle Dornez en Wikipedia)

Vandaag 132 jaar geleden, de Eiffeltoren officieel ingehuldigd.
Vandaag 132 jaar geleden, de Eiffeltoren officieel ingehuldigd.
Vandaag 132 jaar geleden, de Eiffeltoren officieel ingehuldigd.
Vandaag 132 jaar geleden, de Eiffeltoren officieel ingehuldigd.
Vandaag 132 jaar geleden, de Eiffeltoren officieel ingehuldigd.
Vandaag 132 jaar geleden, de Eiffeltoren officieel ingehuldigd.

De passie van de Gentse ondernemer Ghislain Mahy voor auto’s en na drie generaties het einde voor garage Mahy in Gent.

De familie Mahy, gevestigd te Gent, was gespecialiseerd in het bouwen van stoomketels.

Ghislain Mahy, geboren in 1907, toonde reeds zeer vroeg een uitzonderlijke aanleg voor mechanica. Hij bewees dit door op zeventienjarige leeftijd eigenhandig zijn eerste en enige auto in elkaar te knutselen met de motor van een Dixi en onderdelen uit de sloperij.

Na de wagen zorgvuldig op punt te hebben gesteld, slaagde hij erin die te verkopen tegen de aardige som, destijds, van 6500 BF.

Dit klein kapitaal lag aan de basis van zijn automobielhandel.

In 1932 vestigde hij zich als handelaar in tweedehands-wagens, en in 1938 opende hij als eerste in België een verhuurdienst voor auto’s zonder chauffeur.

Hij werd vervolgens agent van verschillende grote automerken, Nash, Simca en Fiat.

De zaken draaien goed voor Ghislain Mahy en hij wil uitbreiden.

Ghislain’s echtgenote, stelt hem voor zich te interesseren voor leegstaand pand, namelijk het oude wintercircus.

Een gigantisch rond gebouw van 5000 m2 in het centrum van Gent.

Er komt een overeenkomst tussen Ghislain Mahy en de eigenaar, de nodige aanpassingen gebeuren en in 1939 eindigen de werken.

Maar Ghislain heeft geen geluk, de dag van de inhuldiging van de showroom is tevens die van de algemene mobilisatie.

De oorlog is daar en de handel draait tijdens deze lange periode zo goed als niet.

Na de oorlog, in 1948, wordt het gebouw verkocht aan Ghislain Mahy.

Ondanks dit financieel avontuur beslist Ghislain het circus om te bouwen tot een nog ambitieuzere garage dan deze van voor de oorlog.

De nieuwe garage opent in oktober 1954, het is een der modernste en belangrijkste van Vlaanderen. De zalen zijn enorm, maar meerdere zijn ongeschikt voor de professionele bezigheden.

Doodlopende gangen, zalen met zuilen, hoge verdiepingen en twee verdiepingen kelders worden gebruikt als stapelplaats der oude voertuigen.

Dit reusachtige ronde gebouw is een surrealistische plaats, een architecturaal meesterwerk.

Boven de piste hangt een Zeppelingondel en een vliegtuig doet dienst als luchter voorzien met TL-verlichting.Rondom, op elk der 4 verdiepingen, lijken tientallen oldtimers toeschouwers te zijn van een spookvoorstelling.

Anderen slapen rustig in de kelders en hebben sinds meer dan dertig jaar het daglicht niet meer gezien.Jarenlang verzamelt Ghislain voertuigen.

Honderden voegen zich bij deze die hij reeds bezit in de verschillende zalen van het oude circus en van bij de aanvang start Ghislain de restauratie.

Dit betekent voor de eerste voertuigen een volledige demontage, wederopbouw en verven met de borstel. In die tijd was het vervangen van onderdelen niet zo eenvoudig als nu.Talrijke onderdelen waren beschikbaar, maar waren moeilijk te vinden.

Vandaag raadpleegt men de advertenties in de gespecialiseerde pers of contacteert men de clubs. Einde der veertiger jaren was men aangewezen op het toeval of moest men zelf een netwerk uitbouwen.

Zeer snel vervangt hij de borstel door een spuitpistool, maar Ghislain kent de techniek niet en doet beroep op een vriend carrossier.

Hij heeft ook problemen met houtwerk, bekleding en dergelijke.

Elke keer vindt hij bekwame vrienden die hem ter hulp komen.

Sinds de jaren vijftig tot omstreeks 70 werken Ghislain en zijn oudste zoon Ivan in een klein werkhuis, geholpen door enkele gepassioneerde vrijwilligers zoals die buitengewone bekwame bekleder die de stiel geleerd had op de ouderdom van 15 jaar bij Minerva.

Gedurende een veertigtal jaren hebben Ghislain, Ivan en hun vrienden zelf een 250-tal voertuigen gerestaureerd.

Het circus was een stapelplaats voor al deze voertuigen.

Niets was echter voorzien om het publiek te ontvangen, geen enkele publiciteit werd gemaakt over de collectie.

Nochtans contacteerden vele liefhebbers de familie Mahy om het voorrecht te hebben de oldtimers te bewonderen.

Begin de jaren 60 ging Ghislain Mahy op zoek naar een plaats om een museum uit te bouwen.

In 1964 koopt Ghislain Mahy in Gent een oude bowling van 2000 m2.

Hij verbouwt, plaatst gerestaureerde voertuigen, maakt de zaal klaar voor de opening.

Maar stad Gent verbiedt de exploitatie, bewerende dat het gebouw zich in een groene zone bevindt en dat de uitbating van een museum een economische activiteit is.

De pers interesseert zich aan de verzameling en de burgemeester van Houthalen leest er een artikel over.

Hij neemt contact op met Ghislain Mahy en stelt voor een loods, gelegen aan de Grote Plaats, in te richten als museum. Maar ditmaal komt er verzet van de gouverneur van Limburg.

Zijns inzien dient men een specifiek gebouw op te richten om er de verzameling in onder te brengen. Aldus ging in juli 1970 het Provinciaal Automuseum van Houthalen open in Limburg.

Het was één der eerste automusea in Europa.Maar het begin der jaren zeventig viel samen met de eerste petroleumcrisis en in 1975 begon het museum er de gevolgen van te voelen. Daarbij werden de personeelskosten steeds hoger en ter wille van het wegvallen van subsidiering kwamen er geen scholen meer naar het museum.

In 1983 besloot de provincie het museum te sluiten. Niettemin mocht de familie Mahy het museum ten persoonlijke titel uitbaten.

Ondertussen had in 1978 de familie de VZW “Autocollectie Gh. Mahy” opgericht, teneinde de verzameling te vrijwaren.

In 1983 neemt Ivan Mahy het beheer van het museum over. Hij laat zich helpen door vrijwilligers en het museum kent een nieuw succes.

Drie jaar later is het zakencijfer aanzienlijk verbeterd.

Het museum maakt publiciteit en het publiek komt massaal. De nabijheid van het park van Bokrijk is een pluspunt en trekt vele bezoekers aan.

In 1986 vindt de provincie het nodig de huurprijs te vervijfvoudigen en die komt alzo op gelijke hoogte met het publiciteit- en promotiebudget van het museum. AGM kan dit niet dragen en de onderhandelingen leveren niets op.

De voertuigen tentoongesteld in Houthalen dienen een andere tentoonstellingsruimte te vinden.Een prachtige hall van 8000 m2 was beschikbaar, gelegen in het mooie kader van het Jubelpark te Brussel.

De metalen structuur met een spanwijdte van 48 m zonder palen voldeed perfect.

De zaak werd onderhandeld, bij name met de ministers Herman De Croo (communicatie) en Louis Olivier (Openbare Werken, eigenaar van het gebouw).

De inhuldiging gebeurde in 1986 na herstelling van het gebouw, gelegen tegenover het Legermuseum, het Vliegtuigmuseum (één der belangrijkste ter wereld) en in de nabijheid van het museum van Kunst & Geschiedenis.

Buiten zijn architecturale waarde bezat het eveneens een symboliek aangezien tussen 1902 en 1934 bijna ieder jaar er een autosalon plaatsvond.

Meer dan 200 mechanische juweeltjes verwelkomen er reeds 27 jaar de bezoekers en Autoworld wordt aanzien als één der befaamste automusea ter wereld.

Maar het belicht in werkelijkheid maar één vierde van de door Ghislain Mahy verzamelde voertuigen.

De andere 800 oldtimers sliepen rustig in het oude Wintercircus te Gent tot 1997.

Reeds voor de installatie in Brussel (1986) was de VZW “Autocollectie Gh.Mahy” op zoek naar een grotere ruimte dan het circus om de oude voertuigen in onder te brengen.Vele contacten werden gelegd met openbare diensten.

De staat verkocht verscheidene kazernen en fabrieken ingevolge verhuis en/of faillissementen . AGM zocht een geheel van grote gebouwen omringd door een terrein.

Ivan Mahy contacteerde eveneens verscheidene steden waaronder Antwerpen, Blankenberge, Brussel, Gent, Oostende; die wel akkoord waren een gebouw ter beschikking te stellen; maar vele sites waren echter te duur, te klein of niet geschikt.

In 1996, tijdens een bezoek aan Frasnes-lez-Anvaing, werd Ivan Mahy door een curator erop gewezen dat er een fabriek te koop stond in Leuze-en-Hainaut.

AGM bezocht de vroegere textielfabriek Ernaelsteen, stelde vast dat zij voldeed en ontmoette de eerste schepen van Leuze. Deze laatste, de heer Jean-Pol Renard was onmiddellijk zeer enthousiast.

Drie dagen later werd AGM verwittigd dat de stad Leuze akkoord ging de oude fabriek aan te schaffen om er het toekomstig “Musée Communal de l’Automobile” in onder te brengen.

Van toen af begonnen Ivan Mahy en enkele vrienden aan een titanen verhuis.

Drie jaar lang gaan zij meer dan 700 voertuigen, gestockeerd in de cirkelvormige galerijen en de kelders van het circus te Gent, overbrengen naar Leuze.

Buiten de veteranen werd de site ook gevuld met tonnen wisselstukken, oud gereedschap, didactisch materiaal en varia en bleek de 20.000 m2 reeds te nauw te zijn.

De privé bibliotheek, één der grootste in Europa, zwicht onder het gewicht van de kostbare autodocumenten zorgvuldig geklasseerd en op inventaris geplaatst.

In de loop der tijd kreeg het ambitieuze project stilaan vorm en werd het toekomstige “Musée Communal de l’Automobile” Mahymobiles gedoopt.

De gebouwen waren gedurende één eeuw gebruikt door textiel ondernemingen.

Men moest het geheel zo inrichten dat het niet alleen toegankelijk werd voor het publiek, maar ook aantrekkelijk.

Door tussenkomst van Ideta, een intercommunale ter economische en toeristische ontplooiing van de regio, heeft het Waalse gewest subsidies toegekend om het onthaal en de toegang tot het gebouw aan te passen.

Een tweede subsidie werd toegestaan door Europa, bedoeld voor de buitenzijde van het gebouw: vernieuwing van de daken en de gevels evenals de aanleg van het park van 5ha.

De VZW Mahymobiles neemt voor haar rekening de binneninrichting evenals de aanleg van een testpiste buiten het gebouw waar de wagens bezoekers kunnen vergasten op een autoritje.

De collectie Gh. Mahy is één der meest interessante ter wereld, zowel door het aantal (ongeveer 1000 voertuigen) als de verscheidenheid.

Voertuigen uit gans de wereld, benzinewagens, stoomwagens, elektrische wagens, vrachtwagens, moto’s, fietsen, autobussen, pedaalwagentjes, paardenkoetsen en sleden.

Grote klassiekers en populaire wagens staan er naast elkaar en vertellen de geschiedenis van de automobiel vanaf 1895 tot heden.

Betreft de garage en hetzakelijke gedeelte die verhuisde van het Wintercircus naar de Brusselsesteenweg in Ledeberg.

Daar bouwde Pascale Mahy, de derde telg in de familie, de zaak uit tot het netwerk zoals we het vandaag kennen.

Er kwam een site in Lokeren, een extra showroom in Gent aan de Zeeschipstraat en één in Brugge.

De dame werd alom geroemd, maar overleed begin april 2020 aan een combinatie van longkanker en corona.

Deze maand wordt het contract getekend en zal de nieuwe eigenaar Valckenier, zodoende de grootste Renault -en Daciadealer van België worden.

De garages van Mahy zullen binnenkort ook die naam dragen.(Diverse bronnen en Wikipedia)

De passie van de Gentse ondernemer Ghislain Mahy voor auto’s en na drie generaties het einde voor garage Mahy in Gent.
De passie van de Gentse ondernemer Ghislain Mahy voor auto’s en na drie generaties het einde voor garage Mahy in Gent.
De passie van de Gentse ondernemer Ghislain Mahy voor auto’s en na drie generaties het einde voor garage Mahy in Gent.

40 jaar geleden, te gast in het kasteel van Deulin in de gemeente Hotton.

Het kasteel werd in 1760 gebouwd in opdracht van de familie de Harlez die het nog steeds bezit.

Het ontwerp wordt toegeschreven aan architect Etienne Fayen (1720-1773).

De bouwheren waren Guillaume-Joseph de Harlez (1691-1763), bierbrouwer te Luik, en zijn zoon Simon-Joseph de Harlez, abt van de abdij van Val-Saint-Lambert, kanunnik van het Sint-Lambertuskapittel te Luik en persoonlijk raadgever van prins-bisschop van Luik, Karel Nicolaas Alexander graaf d’Oultremont.

Voor de bouw van kasteel moesten twaalf huizen worden afgebroken.

Het is gebouwd volgens de klassieke en traditionele architectuur van de 18e eeuw, als U-vormig bouwwerk met losstaand corps de logis en twee paviljoens rond een cour d’honneur.

Het rijk gedecoreerde interieur wordt toegeschreven aan François-Joseph Dukers; de zaaldecoraties zijn geschilderd door Jean-Dieudonné Deneux.

Het kasteel was de zetel van het leengoed van Fronville tijdens het ancien régime.

Het kasteel en het interieur van het kasteel zijn geclassificeerd als uitzonderlijk Waals erfgoed (Frans: Patrimoine exceptionnel de Wallonie).

Het park heeft zijn tuinarchitectuur te danken aan een plan van het begin van de 20ste eeuw.

Vandaag wordt het kasteel bewoond door de familie de Harlez de Deulin en hun kinderen.(Diverse bronnen, De Post december 1980 en Wikipedia)

40 jaar geleden, te gast in het kasteel van Deulin in de gemeente Hotton.
40 jaar geleden, te gast in het kasteel van Deulin in de gemeente Hotton.
40 jaar geleden, te gast in het kasteel van Deulin in de gemeente Hotton.
40 jaar geleden, te gast in het kasteel van Deulin in de gemeente Hotton.
40 jaar geleden, te gast in het kasteel van Deulin in de gemeente Hotton.
40 jaar geleden, te gast in het kasteel van Deulin in de gemeente Hotton.
40 jaar geleden, te gast in het kasteel van Deulin in de gemeente Hotton.

Vandaag 50 jaar geleden, het einde voor Jean-Florian Collin en zijn bouwbedrijf Etrimo.

Etrimo = Études et Réalisations Immobilières, werd in 1932 opgericht door architect Jean-Florian Collin.

In de jaren dertig bouwde het in Brussel een groot aantal appartementsgebouwen in de toenmalige art deco of modernistische stijl.

Etrimo veranderde zijn beleid in de loop van de jaren vijftig en koos, begunstigd door groei, voor het goedkope appartementengebouw.

Dit gaat ten koste van de kwaliteit die naar voren wordt gebracht in zijn prestaties uit de jaren 30 en 40.

De nieuwe filosofie van de bouwer is om een ​​appartement te verkopen aan elk huishouden met een gemiddeld inkomen.

Etrimo maakt daarom een ​​exponentiële groei door.

In de jaren vijftig en zestig domineren NV Amelinckx en NV Etrimo de markt van de appartementsbouw.

Jean Collin, alias “Monsieur Etrimo”door sommigen beschouwd als een “aangename grappenmaker”, door anderen als een zakengenie, is hij het symbool van een flamboyant tijdperk waarin alles mogelijk was.

NV Etrimo opereert hoofdzakelijk in en rond Brussel,

NV Amelinckx bouwt voornamelijk in Vlaanderen.

Als slachtoffer van zijn eigen excessen zonk de promotor in 1970.

Zo kocht hij het kasteel van Faulx-les-Tombes en een jacht met de naam La Favorite.

Ooit eigendom gewest van koning Faroek van Egypte.

De aankondiging van het nieuws veroorzaakte opschudding onder de bevolking.

2000 kleine spaarders, die in de schulden raakten, ontmoeten elkaar in Brussel om hun stem te laten horen.

Collin verkoopt, zonder verplichtingen, het grootste deel van zijn eigendom aan Amelinckx en trekt zich terug in het zuiden van Frankrijk.

Er zal geen aanklacht tegen hem worden ingediend en hij behield zijn mandaat als senator tot het afliep.


Amelinckx kocht wel het bedrijf maar nam niet de schulden over en was niet verantwoordelijk voor de verplichtingen van het bedrijf aan de aankopers van appartementen

Er zal geen aanklacht tegen hem worden ingediend en hij behield zijn mandaat als senator tot het afliep.

Dit zal in 1971 aan de basis liggen van een eerste wet (wet Breyne) ter bescherming van de aankoper betreft aankoop op de verkoop van appartementen op plan.

Na de economische crisis van de jaren zeventig ontstaan er overal in de stadsrand gebouwen ontwikkeld door bouwbedrijven zoals Amelinckx.

Er werd gewerkt met ‘verkoop-op-plan’ waarbij toekomstige eigenaars al een stuk betalen, waarna de bouw pas wordt aangevat.

Later wordt het NV Amelinckx verkocht aan Blijweert dat begin jaren tachtig failliet gaat.(Diverse bronnen, Wikipedia en foto’s uit de Post van 22 november 1970)

Vandaag 50 jaar geleden, het einde voor Jean-Florian Collin en zijn bouwbedrijf Etrimo.
Vandaag 50 jaar geleden, het einde voor Jean-Florian Collin en zijn bouwbedrijf Etrimo.
Vandaag 50 jaar geleden, het einde voor Jean-Florian Collin en zijn bouwbedrijf Etrimo.

70 jaar geleden, te gast bij de Amerikaanse lichtontwerper Douglas Leigh.

Hij was toen de ontwerper van het grootste lichtreclame ter wereld en dit voor het automerk Chevrolet op de kruising tussen Broadway en Seventh Avenue.

Deze lichtreclame op Times Square had een hoogte van 22 meter en was 32 meter breed. (De Post 26 november 1950)

toestel om na te gaan of één van de duizenden gloeilampen defect is

100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.

De Grand Bazar ontstond uit de Maison Universelle.

Dit pand en drie aangrenzende winkels met mooie oude gevels werden in 1920 gesloopt voor de bouw van de nieuwe Grand Bazar.

Het monumentale pand was georganiseerd rond een centrale vide.

In 1942 kreeg het pand zijn eerste herinrichting door de Brusselse binnenhuisarchitect Georges De Jonckheere.

In 1985 heropende het pand als een filiaal van de Innovation. (diverse bronnen, Hendrik Defoort, Wout De Vuyst )

100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.
100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.
100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.
100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.
100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.
100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.
100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.
100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.

40 jaar geleden, te gast bij de eigenaars van het kasteel van Kruishoutem ofwel Kasteel Aaishove.

Het Kasteel Aaishove heeft zijn naam te danken aan de heerlijkheid Aïshof waarvan de zetel in het kasteel gevestigd was.


De heerlijkheid Aïshof strekte zich in de 11e eeuw uit tussen de Schelde- en Leiebekken.
Het kasteel in de Kasteelstraat is dan wel bijna 400 jaar oud, de eerste burcht op deze site was het zeker niet.


Zo zijn in de kelder van het huidige kasteel nog grondvesten traceerbaar van de donjons; omwalde stenen torengebouwen die er voordien hebben gestaan.


In de 13de eeuw stond er een waterburcht met een slotkapel naast.
Deze gebouwen werden echter volledig vernield gedurende de godsdienstonlusten tijdens de 16e eeuw.

Door huwelijksinbreng volgden meerdere adellijke geslachten elkaar in sneltempo op.

Karel de Jauche was echter de eerste kasteelheer die effectief in Kruishoutem kwam wonen.

Hij liet omstreeks 1630 de oude donjons slopen en op de grondvesten ervan het nu nog bestaande kasteel optrekken.

Het kasteel werd onmiddellijk voorzien van stromend water en centrale verwarming.

Dit gebeurde via de bakoven en dankzij de stijgende beweging van de warme lucht werd de warmte van de oven in de keuken ’s morgens verspreid over heel de woning via kanalen in gebakken aarde, die uitgaven in de bovenvertrekken.


Vandaag de dag is de oven vervangen door een mazoutkachel met een ventilator en hetzelfde verspreidingskanaal wordt nog steeds gebruikt.

Zoon Filips de Jauche verfraaide later ook het aanzien van het kasteelpark met verschillende lanen en de nog steeds bestaande vijverpartij.

Deze werkzaamheden betekenden een tweede aanslag op de familiale geldbeugel.

Het was het begin van het einde van de heren de Jauche, waarna het kasteel in 1732 aan de familie vander Meere werd verkocht.

Dochter Eugénie vander Meere was de laatste gravin van Kruishoutem.
Samen met haar man stond ze omstreeks 1860 in voor de bouw van het poorthuis en de heraanleg

van het park.
Hun ongehuwd gebleven dochter erfde het kasteel en hield er op het kasteeldomein een 30-tal arbeiders en dienstboden op na, wat uiteraard te veel was.


Na haar overlijden werd het kasteel en het bijhorende park verkocht aan de familie de Raveschoot.

Toen de laatste telg van de familie er in 1975 dood werd aangetroffen, werd het kasteel in 1976 gekocht door industrieel Carl Van Marcke, vooral gekend als groothandelaar van badkamers en keukens.

Hij overleed in 2010, maar zijn echtgenote Magdalena De Roeck woont er vandaag de dag nog steeds.


Het kasteel en de kasteeldomeinen werden op 10 december 1973 als monument en als landschap beschermd.(Diverse bronnen, Thomas Vandewalle, Wikipedia, de Post van 13 juli 1980 en foto 3 Carl Van Marcke en Magdalena De Roeck met de kinderen Peter en Caroline, foto 5 Magdalena De Roeck)

40 jaar geleden, te gast bij de eigenaars van het kasteel van Kruishoutem ofwel Kasteel Aaishove.
40 jaar geleden, te gast bij de eigenaars van het kasteel van Kruishoutem ofwel Kasteel Aaishove.
40 jaar geleden, te gast bij de eigenaars van het kasteel van Kruishoutem ofwel Kasteel Aaishove.
40 jaar geleden, te gast bij de eigenaars van het kasteel van Kruishoutem ofwel Kasteel Aaishove.
40 jaar geleden, te gast bij de eigenaars van het kasteel van Kruishoutem ofwel Kasteel Aaishove.
40 jaar geleden, te gast bij de eigenaars van het kasteel van Kruishoutem ofwel Kasteel Aaishove.
40 jaar geleden, te gast bij de eigenaars van het kasteel van Kruishoutem ofwel Kasteel Aaishove.
40 jaar geleden, te gast bij de eigenaars van het kasteel van Kruishoutem ofwel Kasteel Aaishove.
40 jaar geleden, te gast bij de eigenaars van het kasteel van Kruishoutem ofwel Kasteel Aaishove.

70 jaar geleden, te gast bij het bedrijf Bell Telephone Manufacturing Company in Antwerpen.

De National Bell Telephone Company werd gesticht in Schotland door Graham Bell in 1877.

In 1880 splitste de American Bell Telephone Company zich van het bedrijf af.

De International Bell Telephone Company startte in 1882 zijn eerste buitenlandse vestiging in Antwerpen onder de naam Bell Telephone Manufacturing Company.

Het nieuwe bedrijf had zijn administratieve zetel in de Dambruggestraat gedelegeerd bestuurder was Francis Welles.
Nog datzelfde jaar werden de eerste eigen gebouwen met kantoren, magazijn en atelier, opgericht aan de noordzijde van de Boudewijnsstraat naar ontwerp van J.L. Hasse.

Hij gebruikte daarbij een baksteenarchitectuur met eclectische, neorenaissance- of neotraditionele stijlelementen.


In 1887 werd aan de zuidzijde van de Boudewijnsstraat een terrein gekocht voor de verdere uitbreiding van het complex.

Hasse bleef de vaste architect van de firma en zorgde voor de uitbouw van de succesvolle fabriek aan beide zijden van de Boudewijnsstraat.


In 1896-1897 werd aan de zuidzijde van de Boudewijnsstraat, op de huidige locatie van de gebouwen, een nieuwe fabriek gebouwd met bijhorende ateliers en een smidse.

Dit is het oudste nog bewaarde deel van de fabriek, in de zuidoostelijke hoek van het bouwblok.
De uitbreidingen, wijzigingen en vernieuwingen volgden elkaar in hoog tempo op.


In 1909 werd de eerste brug over de Boudewijnsstraat geslagen tussen de verschillende bouwblokken.

Het pronkstuk van het bedrijf is de opvallende, 58 meter hoge toren uitkijkend over de Bresstraat, opgetrokken rond 1953.


Het gebouw herbergde burelen en een administratief centrum van de firma en is een belangrijke realisatie van architect Hugo Van Kuyck.

Hij realiseerde ook het in de Sint-Laureisstraat tegen de toren aangebouwde kantoorgebouw, aansluitend bij de stijl en de bouwhoogte van de bestaande gebouwen.

Begin jaren ’70 werkten er ongeveer 15.000 mensen.


In 2006 kocht de stad Antwerpen het complex en liet het renoveren als centraal administratief centrum van de stad Antwerpen.(Diverse bronnen, Wikipedia en De Post 25 juni 1950)

70 jaar geleden, te gast bij het bedrijf Bell Telephone Manufacturing Company in Antwerpen.

Vandaag 50 jaar geleden, plechtige ingebruikname van het hoofdkantoor Royale Belge.

Het gebouw is gelegen in de Brusselse gemeente Watermaal-Bosvoorde langs de Vorstlaan.

Het kruisvormige ontwerp is van René Stapels en Pierre Dufau, die zich o.a. inspireerden op de John Deere World Headquarters van Eero Saarinen (Moline, Illinois).

Het gebouw is 50,80 meter hoog en heeft een vloeroppervlakte van 54.000 vierkante meter.

De buitenzijde bestaat uit cortenstaal en bronskleurig gefumeerde ramen.

Dankzij de landschapsarchitecten Jean Delogne en Claude Rebold is het geheel harmonisch ingeplant tussen vijvers en groen.

De bouw begon op 4 april 1967, waarna op 25 juni 1970 de plechtige ingebruikname volgde.

Opdrachtgever was de verzekeraar Royale Belge.

Nadat die in 1999 was opgegaan in het Franse AXA, werd het complex verkocht aan Cofinimmo en teruggehuurd tot 2018.

AXA verhuisde in 2017 haar Belgische zetel naar het Troonplein (voormalig Hoofdkantoor Electrobel).

De Verenigde Staten werden de nieuwe eigenaar van de gebouwen aan de Vorstlaan, met de bedoeling er de Amerikaanse ambassade in onder te brengen.

De structuur bleek echter niet geschikt om zwaar kogelvrij glas te dragen.

Om al te ingrijpende transformaties te vermijden, plaatste de Brusselse regering het gebouw op de bewaarlijst, waarna de Amerikanen afzagen van het project.

Het gebouw is vanaf 23 mei 2019 Ingeschreven op de bewaarlijst van beschermde gebouwen in Brussel.

De toekomstige bestemming van het gebouw is onbekend en staat tot op vandaag leeg.

Laten we hopen dat dit mooi gebouw vlug een bestemming krijgt.

Want het zou niet de eerste keer zijn, dat door jarenlange leegstand en verwaarlozing een gebouw uiteindelijk toch afgebroken moet worden. (Diverse bronnen, Wikipedia en de Post van 28 juni 1970)

Vandaag 50 jaar geleden, plechtige ingebruikname van het hoofdkantoor Royale Belge.
Vandaag 50 jaar geleden, plechtige ingebruikname van het hoofdkantoor Royale Belge.
Vandaag 50 jaar geleden, plechtige ingebruikname van het hoofdkantoor Royale Belge.
Vandaag 50 jaar geleden, plechtige ingebruikname van het hoofdkantoor Royale Belge.

Vandaag 40 jaar geleden, koepel van de VRT toren opgetrokken naar boven.

De VRT-toren werd gebouwd om dienst te doen als zendmast.

Het nieuwe symbool van de Vlaamse openbare omroep kwam er na de verhuizing van de Flageygebouwen in Elsene naar de nieuwe kantoren aan de Reyerslaan in 1974.

Niet toevallig werd de communicatietoren, met allerlei zenders en ontvangers, aan de voorzijde van de nieuwe mediasite in Brussel gebouwd.

De bouw van de toren was een technisch huzarenstukje en sleepte verschillende jaren aan.

Over de centrale schacht moest immers een loodzware koepel naar boven worden opgetrokken. Dat gebeurde op maandag 19 mei 1980, met een snelheid van 1,39 meter per uur.

De schotel weegt maar liefst vier miljoen kilo. Het duurde vijf volle dagen om het gevaarte met een diameter van 34 meter op zijn plaats te krijgen, maar liefst 73 meter boven de grond.

De toren is gemaakt in gewapend beton en is in totaal 89 meter hoog. Dat komt overeen met ongeveer 23 verdiepingen of 485 trappen.

De koepel heeft een doorsnede van 34 meter. Als de architect had mogen kiezen, was de VRT-toren 300 meter hoog geweest.

Door de nabijheid van de luchthaven van Zaventem, werd dat plan van tafel geveegd.

Door de digitalisering en de goedkopere satellietverbindingen zijn de antennes op de toren grotendeels buiten gebruik.

Toch heeft de toren nog steeds een paar actieve functies.Op de toren staan vier ontvangstantennepanelen voor TNG (Terrestrial News Gathering) in de 4 windrichtingen.

Dat systeem werkt in Brussel samen met de vier ontvangst antennepanelen van op de toren van een FOD in het centrum van Brussel en zorgt voor ontvangst van de mobiele TNG wagens die gebruikt worden door de nieuwsdienst.

Daarnaast wordt de toren soms ook als een testzender voor radioreportages gebruikt. Ook de ontvangst- en zendantennes worden nog voor radioreportages ingeschakeld.

Ten slotte beschikt de toren over een draaibare parabool die via tijdelijke straalverbinding voor tv-reportages en evenementen functioneert.

Denk aan popfestivals, wielerwedstrijden, grootse evenementen als De Warmste Week, enzovoort.

De toren was oorspronkelijk eigendom van de VRT en RTBF, maar de CEO’s van beide omroepen hebben een overeenkomst ondertekend met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

In die overeenkomst staat dat alle gronden waarop de gebouwen van beiden omroepen staan, inclusief de iconische toren, aan het Brussels Gewest worden overgedragen.

In de praktijk duurt het wel nog enkele jaren vooraleer de gronden en toren officieel een nieuwe eigenaar krijgen.

In 2013 werd beslist dat er een nieuw VRT-gebouw zou komen aan de Reyerslaan.

Daarvoor zullen de huidige gebouwen van de VRT en de RTBF tegen de vlakte gaan.

De iconische toren zal overeind blijven, al is zijn toekomstige functie voorlopig onbekend.(Diverse bronnen, Vrt en Wikipedia)

Vandaag 40 jaar geleden, koepel van de VRT toren naar boven worden opgetrokken.
Vandaag 40 jaar geleden, koepel van de VRT toren naar boven worden opgetrokken.
Vandaag 40 jaar geleden, koepel van de VRT toren naar boven worden opgetrokken.
Vandaag 40 jaar geleden, koepel van de VRT toren naar boven worden opgetrokken.
Vandaag 40 jaar geleden, koepel van de VRT toren naar boven worden opgetrokken.